Levensloop Frederik J. Voorthuis.

 

Geboortedatum    :     8 augustus 1904.

Geboorteplaats     :     Warnsveld in de buurt van Zutphen.

Doopdatum          :     17 september 1917.

Gedoopt door       :     Zijn oudere broer Piet Voorthuis.

Ingezegend           :     Febr. 1942.

Ouders                  :     Pieter Voorthuis sr. en Elisabeth Catharina Heyntjes.

Broers en zusters  :     Piet en Anna.

Echtgenote            :    Elfriede Wintzen.

 

Deze beknopte biografie van F.J. Voorthuis bestaat uit twee delen. Het eerste deel (Levensloop in context) bestaat uit een levensloop zonder verwijzingen. Het tweede deel is chronologisch met bronverwijzingen. Een aantal bronnen kan worden opgeroepen via een link in de tekst. Waar dat niet het geval is, kan in de meeste gevallen de bron achterhaald worden door een bezoek aan het Utrechts Archief en/of naar het documentatiecentrum van SHANA. De adressen zijn te vinden op de homepage van deze website.

Levensloop in context

scholier, leider, jongeliedenbond en kandidaat predikant.

Voorthuis wordt geboren te Zutphen op 8 augustus 1904. Zijn naam wordt het eerst genoemd in het gemeenteblad ‘De Werker’, uit april 1918 als gelegenheidcolporteur. Zijn vader, Pieter Voorthuis Sr. (1855-1938), is van huis uit Remonstrant. Zijn moeder, Elisabeth Catharina Heijntjes, (1860-1936) Hervormd (orthodox). Beiden worden in 1898 gedoopt. Vermoedelijk door pionier Reinhold G. Klingbeil. PieterVoorthuis sr. is zakenman van beroep. Hij wordt in 1908 colporteur (rond zijn 50e levensjaar). Hij heeft dit beroep dertig jaar uitgeoefend. Huize Voorthuis doet eveneens dienst als logement voor rondreizende adventistische predikanten. Maar ook als vergaderruimte voor gemeenteleden en belangstellenden.

Het gezin telt twee zonen en een dochter. De oudste zoon Piet (1888-1960) wordt op 17 augustus 1907 gedoopt en besluit predikant te worden. Na een jaar colporteren bezoekt hij het Theologisch Seminarie Friedensau in Duitsland bij Maagdenburg, voor een twee jarige opleiding. Op 17 aug.1915 wordt hij ingezegend tot predikant door  R. Conradi, leider van de kerk in Centraal Europa.

Voorthuis wordt op 17 september 1917 gedoopt. Zijn oudere broer Piet verricht de doophandeling. Voorthuis treedt in zijn voetstappen. Hij bezoekt de bijbelschool Neanderthal in West Duitsland en verdient zijn studiegeld met lesgeven.

Op 1 november 1925 treedt hij in dienst van het kerkgenootschap als kandidaat predikant in de stad Groningen. Samen met voorzitter Joseph Wintzen houdt hij daar Openbare Lezingen. Dit is het begin van een langdurige samenwerking. Na een jaar wordt hij overgeplaatst naar Winschoten. In 1927 haalt Wintzen hem naar Den Haag. Het begin van zijn carrière in het uitgeverswerk.

Over Anna, de zuster van Voorthuis, is weinig bekend. Zij is vlak na de Tweede Wereldoorlog overleden. Haar vader verblijft de laatste twee jaar van zijn leven (1936/38) bij zijn dochter te Haarlem. Daar is hij ook begraven.

Op voorspraak van Wintzen, loopt Voorthuis in 1928, zeven maanden stage in het ‘Centrale Adventistische Uitgevershuis’ te Hamburg. In 1924 wordt in Den Haag een filiaal opgericht. Voorthuis heeft als directeur 45 jaar aan deze uitgeverij leiding gegeven (1928-1973). Daarom krijgt dit onderwerp extra aandacht.

De geschiedenis van het uitgeverswerk van de Adventkerk in Europa begon in 1885. De eerste kerkelijke uitgeverij annex drukkerij verrijst te Bazel (Zwitserland). In 1889 verhuist de uitgeverij op voorspraak van Conradi naar Hamburg. Tegelijkertijd wordt een opleidingscentrum voor boekenvangelisten in het leven geroepen. Hiermee gaat een hartewens van Conradi in vervulling. Uitgeverswerk en colportage  zijn Conradi’s paradepaarden. De pionier predikant krijgt een dubbele taak toebedeeld: ‘Colporteren en evangeliseren’. Op die manier kunnen de loonkosten in de hand gehouden worden.

Conradi (foto) heeft kritiek op Amerikaanse evangelisatiemethode. Deze is volgens hem te agressief en veroorzaakt teveel commotie (frontmentaliteit). De stille onopvallende methode van colportage met christelijke lectuur werkt effectiever. Adventisten verliezen soms hun baan als gevolg van het vieren van de sabbat (zaterdag). Beroepscolportage brengt dan uitkomst. Aan colporteurs geen gebrek. Vooral in tijden van werkeloosheid. Eerst wordt een stad of streek voorbereid met lectuur. Daarna worden openbare lezingen gehouden om te ‘oogsten’.

In het Adventistische gemeenteblad ‘De Werker’ van 1 okt. 1924, verschijnt plotseling een adreswijziging. Het Internationale Advent Zendingsgenootschap is verhuisd. Een statig woonhuis is aangekocht in het Statenkwartier, één van de duurste wijken van Den Haag. Het staat op naam van de centrale uitgeverij te Hamburg en is met Duits geld betaald. (foto)

De aankoop is omstreden. Afgevaardigden op een jaarconferentie te Rotterdam zijn niet overtuigd van de noodzaak. Zij vragen zich af of het Nederlandse Veld de kosten wel kan dragen. Men ontvangt liever geld uit Duitsland voor kerkbouw. Daar is het meest behoefte aan. Temeer, omdat na de Eerste Wereldoorlog in Duitsland de eerste monumentale adventistische kerkgebouwen verrijzen in Berlijn en Chemnitz. En dat terwijl het Nederlandse Veld nooit geld uit Duitsland ontvangen heeft voor kerkbouw.

Al spoedig blijkt dat het pand is gekocht om een uitgeverij te vestigen. Een grote wens van Wintzen gaat daarmee in vervulling. De verkoop van boeken en bladen moet het werk in Nederland een nieuwe impuls geven. Ook in de koloniën liggen kansen. De gouden formule van Conradi’s colportagebeleid wordt nu eindelijk in Nederland consequent doorgevoerd.

Na de Eerste Wereldoorlog wordt de Europese Divisie opgesplitst in vier aparte Divisies. Eén daarvan heet de ‘Centraal Europese Divisie’ met Duitsland als kerngebied. Deze beslissing is ook van invloed op het uitgeverswerk. De centrale uitgeverij te Hamburg moet nu zijn activiteiten delen met twee filialen. Een in Hongarije, de ander in Den Haag. Hongarije moet Oost Europa – vooral de Duitssprekende gebieden aldaar – bedienen. Den Haag is gericht op Nederland plus overzeese gebiedsdelen.

De scheidingslijn tussen beroeps colporteur en predikant is dun in de gouden formule van Conradi. Elk jaar wordt van hogerhand ook voor de predikant een verkoopbedrag vastgesteld. Vervolgens wordt dit bedrag verrekend met het salaris. De formule wordt door Wintzen tot 1943 streng toegepast. Zelfs strenger dan in Duitsland zelf. Na 1940 verschijnen de eerste tekenen van verzet. Maar de verkoopcijfers zijn hoger dan ooit. In het oorlogsjaar 1943 komt de klad er in wegens papiergebrek.

Na de oorlog wordt Nederland ingedeeld bij Noord Europa. Daar gelden andere regels. Het opleggen van verkoopsquota voor predikanten raakt uit de mode. Kan de uitgeverij dan nog voortbestaan? Voorthuis denkt van wel. Maar ‘het sociale colporteurs probleem’ baart hem zorgen. Kosten stijgen, winsten dalen. Uiteindelijk blijkt de uitgeverij niet levensvatbaar. Nederland is te klein, de sociale lasten te hoog. Eind jaren 80 gaat geleidelijk het licht uit. Toch heeft de uitgeverij meer dan 60 jaar vrucht gedragen. Miljoenen christelijke boeken en bladen zijn verkocht. Persoonlijke contacten zijn gelegd, waardoor menigeen tot het geloof gekomen is. Menig zevende-dags adventist heeft in de colportage zijn levensroeping gevonden.

Den Haag.

Voorthuis wordt in 1928 benoemd tot directeur van de kerkelijke uitgeverij in Den Haag. Hij neemt geleidelijk aan het redactiewerk van Wintzen over. Voorthuis wordt in 1933 door Wintzen officieel benoemd tot mede – en in 1940 tot – verantwoordelijk redacteur van het evangelisatieblad ‘Teekenen des Tijds’ en het gemeenteblad ‘De Adventbode’. Deze functie heeft hij tot 1973 uitgeoefend.

In 1929 wordt Voorthuis – naast zijn redactiewerk – benoemd tot penningmeester van het Nederlandse Veld. Dit is het jaar van de grote recessie. Ook in de kerk lopen de financiën terug. Er gaat teveel geld de grens over naar Duitsland. Tenminste dat vindt Minne Kramer. Hij is een accountant uit Leeuwarden en protesteert daartegen. Hij laat brochures rondgaan waarin ook de naam van Voorthuis wordt genoemd. Gefluisterd wordt, dat Voorthuis als schoonzoon van Wintzen wel bijzonder goed vooruitgekomen is. Hij trouwt namelijk op 3 sept. 1930 met Elfriede, de dochter van Wintzen.

In Januari 1930 overlijdt de vrouw van Wintzen. Hij geeft daarop zijn positie als voorzitter van de West-Duitse Unie op en verhuist van Bonn naar Den Haag. Op verzoek van de Centraal Europese Divisie gaat hij voor twee jaar naar Nederlands Indië voor een inspectiereis.

In 1930 wordt Wilhelm Holwerda benoemd tot penningmeester (i.p.v. Voorthuis). Holwerda is een jaar- en studiegenoot van Voorthuis. Hij ontdekt dat Voorthuis per kwartaal 25 gulden extra loon ontvangen heeft. Wanneer Wintzen in 1932 terugkeert uit Nederlands Indië is hij  voorzitter van het Nederlandse Veld en heeft grote plannen met Voorthuis. Hij neemt het voor Voorthuis op in de salaris kwestie. Voorthuis heeft indertijd extra salaris ontvangen in opdracht van de West Duitse Unie. Voorthuis heeft namelijk in de periode 1929/30 naast zijn werk als penningmeester ook extra redactiewerk verricht, aldus Wintzen..

In 1931 wordt Voorthuis ernstig ziek. Hij heeft long tuberculose en moet uiteindelijk een long missen. Hij is twee jaar lang uit de roulatie. Op zijn ziekbed krijgt hij bezoek van Conradi. Dit bezoek maakt een grote indruk op hem. Conradi legt drie uur lang uit waarom hij nu geen adventist meer is. Voorthuis schrijft later: ‘Dat was mijn laatste ontmoeting met deze grote man…die om verschillende redenen – waaronder strikt persoonlijke – de gemeente verliet.’

Tijdens een Conferentie in 1935 komt een brief binnen van Rotterdamse afgevaardigden. De brief is geadresseerd aan Wintzen. Volgens de afzenders gaat het werk de laatste jaren hard achteruit. Dit probleem kan worden opgelost door minder Duitse werkers aan te stellen en meer Hollandse scholieren een kans te geven. Als de situatie niet verbetert, dreigt men een klacht in te dienen bij het ministerie van binnenlandse zaken. Volgens de wet kan een buitenlander namelijk geen voorzitter zijn van een Nederlandse vereniging. Er is speciale toestemming van de overheid voor nodig. Wintzen wil daarom in 1936 Nederlander worden. Duitse werkers in Nederland moeten dat ook doen, vindt hij. Maar dat schijnt in de jaren 30 niet gemakkelijk te zijn. Pas eind 1939 wordt het verzoek van Wintzen ingewilligd.

In 1937 zijn er reorganisatieplannen. De Generale Conferentie in de Verenigde Staten van Amerika (VS) wil het Nederlandse Veld loskoppelen van de Duitse Centraal Europese Divisie. De algemene politieke situatie maakt dit noodzakelijk. Voorgesteld wordt om deze Divisie op te splitsen in de secties A en B. Sectie A bevat alleen Duitsland. Sectie B bevat o.m. Nederland. De bedoeling is dat het Nederlandse Veld dan direct onder het bestuur van de Generale Conferentie in de VS gesteld wordt.

De vraag is nu: ‘Wat wil het bestuur van het Nederlandse Veld?’ Het bestuur kiest voor sectie B.  Eelsing, zwager van Wintzen, stemt tegen. Maar de eindbeslissing valt pas volgend jaar tijdens een vergadering te Berlijn. Wintzen stelt een reorganisatie voor. Het Nederlandse Veld moet nu een uniestatus krijgen ‘om stemrecht te hebben bij de Generale Conferentie in de VS. Op een vergadering te Berlijn wordt echter besloten dat het Nederlandse Veld toch bij de Centraal Europese Divisie blijft. Wintzen is in Berlijn de enige afgevaardigde uit Nederland. Als pleister op de wond, krijgt het Nederlandse Veld nu toch een uniestatus. Wintzen wordt gekozen tot voorzitter van de nieuwe Nederlandse Unie.

Een Unie bestaat minimaal uit twee conferenties. Dit wordt als volgt opgelost: ‘Wintzen wordt eveneens voorzitter van de Zuid-Nederlandse Conferentie. Eelsing, zijn zwager, wordt dan voorzitter van de Noord-Nederlandse Conferenties.

Wintzen laat eind 1939 Eelsing drie maanden bijscholen op het adventistische seminarie te Washington. Wintzen is inmiddels 65 jaar geworden en kan met pensioen gaan. Eelsing moet hem eventueel opvolgen. Want hij is op 1 september weer terug in Nederland. Net op tijd voor een vergadering van het nieuwe Uniebestuur. Eelsing brengt verslag uit. Hij heeft met leden van de Generale Conferentie gesproken. Deze blijken toch voor een loskoppeling te zijn van het Nederlandse Veld van de Centraal Europese Divisie. Eelsing is het daar helemaal mee eens. Hij weet ook het Uniebestuur daarvan te overtuigen. Want als Nederland tijdens een ophanden zijnde oorlog neutraal blijft, zullen de leden de kerk de rug toekeren of overstappen naar de Reformatiebeweging (een afsplitsing als gevolg van onenigheid over de dienstplicht).

Leiders van de Adventkerk in Duitsland stellen zich weinig kritisch op tegen het Hitler-regime, dat dienstplicht verplicht stelt. Iets dergelijks gebeurde al eerder tijdens en na de Eerste Wereldoorlog. Toch was er vanaf 1922 in Nederland al een mogelijkheid om op morele gronden dienst te weigeren. De Nederlandse Unie kan om die reden beter bij de Generale Conferentie worden ondergebracht als neutrale instantie.

Deze beslissing wordt door Voorthuis per brief aan de Centraal Europese Divisie overgebracht, die echter afwijzend reageert. A. Minck, voorzitter van de Centraal Europese Divisie, vindt de beslissing voorbarig. Wintzen wordt door hem aangemoedigd om als voorzitter op zijn post te blijven. Dit heeft Wintzen tot eind 1943 volgehouden.

De bezetting.

Op 10 mei 1940 vallen de Duitsers Nederland binnen. Tijdens de bezetting stelt Wintzen meer vertrouwen in zijn schoonzoon Voorthuis, dan in zijn zwager Eelsing. Hij ziet de laatste eerder als een goede evangelist. Gezien zijn staat van dienst is hij echter de enige die in aanmerking komt als zijn opvolger. Daarom zal Wintzen pas in 1943 met enige aarzeling het leiderschap aan hem overdragen. Het hoofdkantoor verplaatst zich dan van Den Haag naar Eelsings woonplaats te Apeldoorn (later Arnhem). Eelsing is daarmee de eerste  Nederlandse voorzitter van de Nederlandse Unie.

Tijdens de eerste vergadering (te Utrecht) van het Uniebestuur na de bezetting is Voorthuis ook aanwezig. Hij vertegenwoordigt het uitgeverswerk. Deze tak van dienst is nu van groot belang als inkomstenbron. Het boekenhuis moet zo lang mogelijk in bedrijf blijven. Voorthuis neemt daarbij het voortouw. De beroepscolportage moet efficiënter georganiseerd worden. Ook de verplichte colportage voor predikanten wordt aangescherpt. Op die manier kunnen de loonkosten in de hand gehouden worden.

Ook het welzijnswerk is van belang. Adventisten zijn maatschappelijk betrokken. Zij onderscheiden zich daarin van de Reformatiebeweging. Daarom wordt in 1933 het kinderhuis Zonheuvel te Bosch en Duin in bedrijf gesteld. Tegelijkertijd wordt de vereniging ‘Weldadigheid, Jeugd en Gezondheidszorg’ opgericht, waarvan Eelsing nu tot voorzitter gekozen wordt en Voorthuis als waarnemend secretaris.

Het naziregime wil echter dat alle verenigingen en bonden bij de overheid gemeld worden. Op die manier wordt controle uitgeoefend. De ‘Adventgemeinde’ in Duitsland adviseert Nederland om uitdrukkingen als ‘vereniging’ en ‘bond’ niet meer te gebruiken.

Stichting ‘Boekenhuis der Adventzending’ moet ingeschreven worden als een zelfstandig lichaam met rechtspersoonlijkheid. Het wordt nu een ‘niet-kerkelijke’ uitgeverij met een nieuwe eigenaar. Uit de stichtingsbrief blijkt dat alleen Voorthuis de stichting vertegenwoordigt. De naam ‘adventzending’ verdwijnt en wordt vervangen door ‘Veritas.’ Een naam die ook na de oorlog in gebruik blijft.

De bezetting vereist speciale maatregelen. Eelsing gaat Wintzen vervangen als voorzitter van de Nederlandse Unie (waar nodig). Penningmeester Friedrich Bäcker gaat Wintzen vervangen als voorzitter van de afdeling Zuid (waar nodig). Voorthuis wordt benoemd tot waarnemend secretaris i.p.v. zijn oudere broer Piet. Dit met het oog op contacten met overheidsinstanties.

Friedrich is een Duitse predikant met zendingservaring. Bovendien heeft hij aanleg voor talen. Wintzen haalt hem eind 1937 naar Nederland als plaatsvervanger voor een vertrekkende Duitse predikant. Friedrich is dan 44 jaar oud. Hij is goed in administratie en begaan met het jeugdwerk. Hij correspondeert met Duitse en Nederlandse zendelingen in Nederlands Indië. Hij is als leider meer toegankelijk dan Wintzen. En zorgt er voor dat de financiële kanalen met de Adventkerk in Duitsland en de VS openblijven.

Voorthuis en Bäcker fungeren als de rechter en linkerhand van Wintzen. Voorthuis is op de hoogte van al zijn plannen. Als Wintzen ziek is, spreekt Voorthuis in zijn plaats. Wintzen verwacht dat Eelsing zijn opvolger zal worden, maar weet dat nog niet zeker. Voorthuis profileert zich steeds meer als zijn vertrouweling. Hij is als ‘eigenaar’ van Veritas onmisbaar.

Wintzen is in 1940 (sept.) 66 jaar oud en moet met pensioen, aldus Eelsing. In zijn plaats kunnen twee nieuwe arbeiders aangesteld worden. Wintzen stelt dat het ook anders kan. Er kan meer gecolporteerd worden door de predikanten. In de toekomst zal meer volgens het Duitse model gewerkt worden. Alleen succesvolle beroepscolporteurs worden nog in dienst gehouden.

In 1941 wordt Voorthuis door Wintzen naar Berlijn gestuurd. Voorthuis komt terug met de boodschap dat de uitgeverij op last van de overheid is stilgelegd. Op 15 juni wordt het laatste tijdschrift gedrukt en uitgegeven. Maar Wintzen is vastbesloten om Veritas zo lang mogelijk in bedrijf te houden. Er is nog voor twee jaar papier in voorraad. Zolang er nog boeken en bladen gedrukt en verkocht mogen worden moeten alle mogelijkheden benut worden.

Tijdens een predikanten vergadering in 1941 wordt geklaagd over het opleggen van verkoopsquota door het Uniebestuur. Besloten wordt dat predikanten met een gemeente van meer dan 100 leden en 50 bijbelstudieadressen, geen quotum meer krijgen opgelegd.

Wintzen laat weten dat iedereen zich moet voorbereiden op onpopulaire maatregelen. Er zullen berichten ontvangen worden ‘die een beetje eigenaardig overkomen’. Hij kan daar nu niets over loslaten, ‘maar wees verzekerd, dat alles een oorzaak heeft en wil daarom bidden voor de redactie van ons uitgeversbedrijf, want er is juist in deze tijd zeer veel wijsheid en genade nodig’.

Voorthuis onderhoudt de contacten met de autoriteiten. De uitgeverij moet nu opgesplitst worden in twee stichtingen. Voorthuis moet daarvoor zorgen. Daaraan zijn, volgens Wintzen, consequenties verbonden. Er moeten namen genoemd worden. Er moet ondertekend worden. Wij hebben geen andere keus. Registratie betekent echter ‘heulen met de bezetter’ en het accepteren van controle. Dit zorgt voor de nodige problemen.

Niet veel later blijkt dat alle beroepscolporteurs zich moeten laten inschrijven bij de ‘Kultuurkamer’ onder de afdeling ‘Letterengilde’. Het is een kwestie van inschrijven of stoppen. Voorthuis geeft advies over het invullen van de formulieren. Bepaalde vragen moeten gelijkluidend beantwoord worden. Er zit een apart formulier bij met vragen over grootouders. ‘Die kan iedereen zelf invullen,’ aldus Voorthuis. De Kultuurkamer wil namelijk weten of de grootouders ariër of niet-ariër zijn (of waren).

Sommige colporteurs willen zich om die reden niet laten inschrijven. Want ‘Lidmaatschap van de Kultuurkamer staat ongeveer gelijk aan lidmaatschap van de NSB’. Dit wordt door Voorthuis in een vertrouwelijk schrijven bestreden. Het is volgens hem een kwestie van inschrijven of stoppen. Volgens sommigen wil Voorthuis per sé de uitgeverij openhouden uit persoonlijk belang om zijn functie als directeur te kunnen behouden’. Ook dit zijn, volgens Voorthuis, ‘onjuiste gissingen’. Voorthuis heeft ook een opleiding als predikant. Hij kan altijd in deze functie worden ingezet. Bovendien heeft Voorthuis zich nooit met politiek beziggehouden’. Anderen laten weten, dat ‘geen enkel ander kerkgenootschap zich bij de Kultuurkamer heeft aangesloten’. Zij vragen zich af: ‘Waarom onze colporteurs wel?’ Volgens Voorthuis is de Adventkerk zelf niet aangesloten bij de Kultuurkamer. Veritas is nu een gewone niet-kerkelijke uitgeverij en is daarom verplicht zich bij de Kultuurkamer aan te melden. Maar iedere colporteur is vrij om niet aangesloten te zijn of als lid te bedanken. Het gevolg is wel: ‘Geen werk!’ Uiteindelijk sluiten alle beroepscolporteurs zich aan.

In 1933 wordt in Duitsland de ‘Reichskulturkammer’ opgericht. Goebbels, minister van ‘Kultuur en Propaganda’ komt ook naar Nederland. Hij kondigt daar in jan. 1941 zelf het ‘Kulturkammergesetz’ af. De Kultuurkamer moet onze geboren vijanden, van de Kultuur, uitschakelen. Het betreft een politieke maatregel. De Kultuurkamer is bevoegd om straffen op te leggen.

Artikel 10 verbiedt Joden of ‘half’ Joden, om lid te zijn. Want de Jood is een groot gevaar voor de Germaanse Kultuur. Elke joodse invloed moet vermeden worden. Daar wordt streng op gelet. Een bloed zuiverheidsysteem wordt in werking gesteld. Iedereen die lid wil worden van de Kultuurkamer moet een ariërverklaring tekenen. Daarin worden o.m. vragen gesteld over de grootouders. In geval beiden Jood zijn, is toetreding uitgesloten. Ariërs die met een volbloed Jood(se) getrouwd zijn, behoren ook daartoe. Zij vallen in de categorie ‘half’ Joden. Voor ‘kwart’ Joden is er hoop. Dat zijn de personen met een joodse grootouder. Ariërs die met een ‘half’ Jood(se) getrouwd zijn, worden als ‘kwart’ Jood geclassificeerd.

De zes grote protestantse kerken in Nederland verzetten zich. Zij uiten ‘ernstige bedenkingen tegen de ariërverklaring. Zij doen een officieel verzoek om intrekking. In april 1942 wordt het ‘Protest van de Kerken’ vanaf de kansel bekendgemaakt. Daarin wordt ondermeer vermeld, dat de ‘wereld- en levensbeschouwing van het nazisme wordt afgewezen, omdat het niet in overeenstemming is met het evangelie’. De Nederlandse Protestantse kerken kiezen om die rede bewust voor het standpunt van de ‘Bekennende Kirche’ in Duitsland.

Lidmaatschap van de Kultuurkamer wordt over het algemeen opgevat als ‘heulen met de vijand’. Uitgevers en boekhandelaren richten daarom als antwoord een eigen antiorganisatie op. Tot serieuze strafmaatregelen is het nooit gekomen. Uitgeverijen waren ondergebracht in de sector van de ‘letteren’. Deze sector heeft zich het minst door angst laten leiden. Daar is het verzet tegen de Kultuurkamer het duidelijkst volgehouden.

In 1940 beleeft de verkoop van boeken en tijdschriften gouden tijden. Het jaar 1941 brengt eveneens zeer bevredigende resultaten, die in de jaren 1942/43 nog worden overtroffen. Het Nederlandse volk heeft tijdens de oorlogsjaren veel afleiding en vertroosting in het lezen gevonden.

Om kerkelijke beïnvloeding verder tegen te gaan, worden in 1943 hele groepen weekbladen en tijdschriften opgeheven. Als reden wordt ‘papierschaarste’ aangegeven. Dit lot treft ook Veritas.

Voorthuis schrijft na de oorlog: ‘Op last van de bezetter is ons uitgevershuis gesplitst in een commerciële en niet-commerciële stichting, die toen beide praktisch tot lediggang geDe Werkerongen waren’.

Eind 1944 moet op last van de bezetter het Statenkwartier in Den Haag worden ontruimd. Dit met het oog op eventuele bombardementen. Boekenhuis ‘Veritas’ moet ook verhuizen. Voorthuis betrekt in het Bezuidenhout vervangende woon – en werkruimte. Op 3 maart 1945 valt er een bom op. Er blijft niets van over. Gelukkig is het eigen gebouw in het Statenkwartier, gespaard gebleven.

In het kerkblad van aug./sept. 1947 staat een artikel van Voorthuis. Het opschrift luidt: ‘Onze tegenstanders zijn aan het werk!’ Het betreft ex-adventisten. Zij verspreiden een gestencilde brochure. Het gaat over: ‘Duitse adventgelovigen onder het Hitler-regime’. Zij willen, volgens Voorthuis, ‘twijfel en tweedracht zaaien in onze rijen’. Voorthuis laat in het artikel Wintzen aan het woord. Hij is namelijk het beste geïnformeerd over Zevendedag adventisten in Duitsland voor en tijdens de oorlog. ‘Al wat werkelijk door de broeders verkeerd gedaan is of door wie ook in eigen land, betreuren wij zeer en keuren dat ook af,’ aldus Wintzen. Maar…’wij zetten ons niet openbaar op de rechterstoel…Er moet gelegenheid geboden worden tot hoor en wederhoor. Er kan niet zomaar geoordeeld worden en niemand is volmaakt,’ aldus Wintzen.

Opleidingsschool voor predikanten.

In aug. 1946 vinden de eerste naoorlogse unieverkiezingen plaats in Den Haag. Eelsing wordt herkozen als unievoorzitter maar tegelijkertijd ook als voorzitter van de Noord -Nederlandse Conferentie. Voorthuis wordt als secretaris van de Nederlandse Unie en als penningmeester van de Zuid-Nederlandse Conferentie gekozen. Predikant J. Lankhorst wordt nu gekozen als voorzitter van de Zuid Nederlandse Conferentie. Piet (Voorthuis’s oudere broer) wordt als secretaris van de Noord-Nederlandse Conferentie aangesteld. De beide conferenties zijn echter financieel afhankelijk. Want de boekhouding wordt centraal geregeld.

Punt 8 van de besluiten bevat een verzoek aan de Generale Conferentie in de VS om een opleidingsschool voor predikanten.

Eelsing neemt daartoe het initiatief. Het is zijn hartenwens. Al eerder had hij zich voor een eigen school ingezet. In maart 1946 brengt de secretaris van de Generale Conferentie een bezoek aan Nederland. Een eigen school staat hoog op Eelsing’s verlanglijstje. De secretaris belooft de zaak voor te leggen. Eelsing reist daarop zelf naar de VS voor overleg. De bereidheid is er om financieel bij te springen. Nu moet eerst nog een geschikte locatie gevonden worden.

Lankhorst heeft verstand van ‘akkers en huizen’. Hij gaat op zoek naar een geschikt pand.  Het landgoed Oud Zandbergen te Huis ter Heide (bij Zeist) met Herenhuis plus opstallen staat te koop. Lankhorst weet Eelsing te overtuigen. Samen met Voorthuis voert hij de onderhandelingen. De beslissing voor de aankoop valt op 5 mei 1947. De prijs is 325.000,- gulden. (foto) De Generale Conferentie en de Noord-Europese Divisie springen bij. Maar een belangrijk deel van het bedrag blijft voor rekening van de Nederlandse Unie. De kerk en haar leden hebben grote financiële offers gebracht voor een eigen school. Uiteindelijk blijkt de school niet levensvatbaar. Maar bijna een halve eeuw hebben generaties predikanten er onderwijs genoten. Als intellectueel centrum heeft het de Adventkerk in Nederland onschatbare diensten bewezen.

Adventistische opleidingsscholen in Duitsland en de VS staan model. Als basisprincipe geldt: ‘De harmonische ontwikkeling van hoofd hart en hand’. Dit principe is gebaseerd op adviezen van Ellen White, leidster en medeoprichtster van de Adventkerk. In de VS is daarmee rond 1900 uitvoerig geëxperimenteerd.

In de zomer van 1947 wordt Cor de Ruiter benoemd tot interim directeur. Het Herenhuis (hoofdgebouw) heeft oorlogsschade opgelopen. En moet gerenoveerd worden. Er wordt ook gezocht naar iemand met internationale ervaring die de Ruiter kan vervangen. Uiteindelijk wordt Philip Schuil benoemd. Hij is een Engelsman van Nederlandse afkomst. Als typische academicus mist hij de pioniersmentaliteit die nodig is. Toch is hij tot 1953 gebleven. De officiële opening vindt plaats op 28 januari 1947.

Inmiddels is Voorthuis benoemd tot voorzitter van de Nederlandse Unie. Zijn hart ligt echter bij het uitgevers- en radiowerk. Het voorzitterschap en het project Oud Zandbergen nemen al zijn tijd in beslag. Voorthuis vraagt daarom eind 1947 Klaas Tilstra om naar Nederland te komen. Gezien zijn andere functies adviseert hij het Uniebestuur om Tilstra in zijn plaats te benoemen als voorzitter. Hij heeft als zendeling en later als leider gewerkt in het voormalig Nederlands Indië. Nu woont hij in de VS en is getrouwd met de dochter van Reinhold Gustav Klingbeil, pionier in Nederland en Vlaanderen. Voor hij naar Nederland komt wil hij eerst nog colleges volgen op het ZDA Theologisch Seminarie in de staat Michigan.

Tilstra is nu Amerikaans staatsburger. Als voormalig zendingsdirecteur van Nederlands Indië beschikt hij over de pioniersmentaliteit die nodig is. Bovendien is hij in Nederland geboren en getogen. Hij wordt in 1950 benoemd tot voorzitter van de Nederlandse Unie, met Voorthuis als secretaris.

Hij komt in sept.1949 naar Nederland. Het is zijn uitdrukkelijke wens om op Oud Zandbergen te wonen. Op zijn verzoek wordt dan ook het hoofdkantoor van de Nederlandse Unie verplaatst van Den Haag naar Oud Zandbergen te Huis ter Heide (Utr.). Tilstra is drie jaar gebleven. Daarna vertrekt hij als zendeling naar Nieuw Guinea. Hij laat Oud Zandbergen, het zorgcentrum Vredenoord en het Instituut voor Schriftelijke Bijbelstudie (nu ESDA) als gevestigde instituten in Huis ter Heide achter.

Oud Zandbergen moet een opleidingsschool voor predikanten worden. Als vooropleiding wordt MULO gevraagd. Later drie jaar HBS. De opleiding duurt vier jaar. Tilstra en Schuil geven les. A.C.A.C. Schmutzler wordt aangetrokken als bijbelleraar. Als Schuil in 1953 vertrekt, volgt Schmutzler hem op als directeur. In 1959 neemt predikant Nico Heykoop het roer over. Met uitzondering van Schuil had geen van allen een academische opleiding. Men deed wat men kon en probeerde er het beste van te maken.

Volgens de Noord-Europese Divisie was het niveau van de 4 jarige opleiding te laag. Sinds 1952 wordt een hogere opleiding in Engeland aangeboden. De 4 jarige cursus op Oud Zandbergen wordt nu opgesplitst in een 2 jaar lagere en een 2 jaar hogere opleiding. De hogere wordt in Engeland aangeboden en sluit af met een Bachelor of Arts. Met deze in de VS erkende graad, staat de weg open voor hoger theologisch onderwijs.

Voorthuis, Tilstra en andere leden van de schoolraad stemmen tegen. ‘De 4 jarige theologische cursus op Oud Zandbergen mag niet verminderd worden’. Vooral Voorthuis wil de theologische opleiding voor predikanten in eigen beheer houden. Alleen Schuil onthoudt zich van stemming.

Voorthuis profileert zich steeds meer als schrijver van boeken en artikelen over adventistische leerstellingen. Zijn mening over theologische vraagstukken wordt als maatgevend beschouwd.

De 4 jarige opleiding op Oud Zandbergen is nog tot begin jaren 60 in bedrijf gebleven. Daarna gaat een stukje ‘nationale trots’ verloren. Een belangrijk deel van het naoorlogse predikanten corps heeft deze opleiding gevolgd. Pas in de jaren 70 wordt gestreefd naar hoger theologisch onderwijs. In 1994 wordt de school definitief gesloten. Een onvermijdelijke beslissing als gevolg van stijgende kosten en het teruglopende aantal beschikbare plaatsen voor nieuwe predikanten.

Familie Weidner.

Op 19 aug. overlijdt emeritus predikant/docent Johan Weidner. Een Nederlander,  mogelijk van joodse afkomst. In een brief aan Wintzen schrijft hij: ‘U weet dat ik een jood ben…’ Weidner is de zoon van een Nederlands Herv. predikant te Gent. Na het gymnasium vestigt hij zich als kandidaat predikant te Gent. Daar komt hij in aanraking met Zevendedag adventisten. Hij laat zich dopen, studeert theologie op het seminarie te Friedensau in Duitsland, maar ook in Watford en Londen. Hij werkt vervolgens in Nederland als colporteur en praktikant. Ook vertaalt hij boeken van Ellen White..

Tot 1910 vormen Vlaanderen en Nederland de Vlaams-Nederlandse Vereniging, als onderdeel van een Duitse Unie. Klingbeil, voorzitter van deze vereniging, woont en werkt dan te Brussel. Weidner spreekt vloeiend Frans en wordt in 1907 ingezet als zijn assistent. Hij trouwt met  J.G. Linschoten uit Den Haag. Een dochter van een van de eerste adventisten aldaar. Weidner’s gezin bestaat uit twee jongens en twee meisjes.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog verblijft Weidner met zijn gezin te Brussel. In 1917/18 krijgt hij een zenuwinzinking als gevolg van de oorlog. Dit als gevolg van de slechte voeding tijdens de oorlog. Hij houdt er een zwakke gezondheid aan over. Vanaf 1919 werkt hij opnieuw vier jaar als ingezegend predikant. Hij raakt in conflict met Klingbeil over het militaire vraagstuk. De Europese Divisie wil namelijk dat het Belgische Veld toch onderdeel blijft van de Duitse Unie met Klingbeil als voorzitter. Weidner voert met succes oppositie daartegen. Met als gevolg dat Klingbeil ‘oneervol losgelaten’ wordt en uitwijkt uit naar Den Haag. Vanaf 1923 werkt Weidner acht jaar als docent oude talen aan het Adventistische Seminarie te Collonges in Frankrijk. In 1939 woont hij met zijn gezin te Parijs. Hij is dan 58 jaar oud en gaat met vervroegd pensioen. Op grond van de door Weidner zelf ingediende gegevens heeft hij 30 dienstjaren.

Nederland is zijn thuisbasis. Daar is hij geboren. Tot 1910 heeft hij als colporteur, vertaler en evangelist in het Vlaams-Nederlandse Zendingsveld gewerkt. Volgens internationale regels van de kerk moet de Nederlandse Unie zijn pensioen betalen.

Wintzen, die dan voorzitter is van de Unie bestrijdt dit. Volgens hem heeft Weidner in de periode 1899-1910 niet of nauwelijks in het Nederlandse Veld als employee gewerkt. Zijn thuisbasis zou in België en Frankrijk geweest zijn, nu onderdeel van de Zuid Europese Divisie. Dit wordt echter gelogenstraft door de feiten. Na een heftige correspondentie met hogere instanties is Wintzen toch bereid alleen de helft te betalen. Wintzen stelt daartoe een alternatieve lijst van dienstjaren samen. En het pensioen wordt uit het ‘Zendingsfonds’ betaald. Weidner verhuist met zijn familie van Parijs naar Nederland en vestigt zich in Den Haag. De pensioenkwestie blijft onopgelost en een bron van ergernis.

Voorthuis plaatst in het kerkblad van aug./sept.1947 Weidner’s overlijdensbericht. Naar aanleiding daarvan schrijft hij in een brief aan Joseph Wibbens, Weidner’s zwager: ‘Ik zou het onprettig vinden, indien…ook maar de schijn verwekt werd, alsof wij een onjuiste berichtgeving wilden publiceren’. Toch is dat gebeurd. Voorthuis baseert namelijk zijn gegevens op de alternatieve dienstjarenlijst van Wintzen. Daarin worden de werkzaamheden van Weidner als colporteur, vertaler, praktikant, evangelist en predikant in de Nederlands Vlaamse Vereniging (tot 1910) ontkend.

Weidner’s zoon heet Jean-Henri Weidner en is overtuigd adventist. Hij is de oprichter en leider van de ‘Nederlands-Parijse vluchtroute’ naar Zwitserland en Spanje tijdens de 2e wereldoorlog. Hij heeft 800 Joden en honderden verzetstrijders en geallieerde piloten gered uit de klauwen van de Duitse bezetter. Hij heeft daarvoor in de periode 1946-50 meerdere hoge internationale onderscheidingen ontvangen. In Nederland ontvangt hij uit handen van koningin Juliana en Prins Bernhard, ‘Het Kruis van Verzet’, en het ‘Officierschap in de Orde van Oranje Nassau’. In het gemeenteblad ‘De Adventbode’ wordt daarover aanvankelijk met geen woord gerept.

Jean Henri heeft in 1966 zijn ervaringen te boek laten stellen onder de titel: ‘Flee the Captor.’ Dit boek is uitgegeven door de Adventistische uitgeverij te Nashville, Tennessee in de VS. Voorthuis wijdt aan de verschijning van dit boek in  ‘De Adventbode’ slechts enkele regels. Daarin worden Jean Henri’s  reddingsacties teruggebracht tot ‘meer dan 100 politieke vluchtelingen, voornamelijk Joden’. Er wordt met geen woord gerept over de onderscheidingen die hij van Eisenhouwer, de Gaulle, Koningin Elisabeth en het Nederlandse koningshuis ontvangen heeft.

De Nederlandse vertaling van zijn boek volgt een jaar later onder de titel “Vlucht naar de Vrijheid’. Jean-Henri komt in het voorjaar van 1967 naar Nederland om zijn boek te promoten. In de media is daar uitvoerig aandacht aan geschonken. In ‘De Adventbode’ is daar niets van terug te vinden.

In de epiloog van het boek staat op p. 276 dat zijn vader en moeder in Nederland ‘op het onbehoorlijks zijn behandelt’. Mogelijk hebben deze woorden betrekking op de ongemakkelijke relatie met de half Duitse bestuurselite.

 

Het koningsdrama.

Op vrijdag 26 aug. 1947 schrijft Voorthuis als secretaris, twee vergaderingen uit van het Uniebestuur. Een vergadering op vrijdag de 29e en een predikantenvergadering op zondag 2 september. Op beide vergaderingen is ook de Noord-Europese Divisie vertegenwoordigd door de voorzitter. De voorzitter, Eelsing,  is op dat ogenblik met vakantie en weet van niets. Vervolgens wordt Voorthuis op de vergadering van het Uniebestuur benoemd tot voorzitter van de Nederlandse Unie in Eelsings plaats. Zijn benoeming wordt op de predikantenvergadering van twee sept. bekendgemaakt.

Eelsing is namelijk door Voorthuis betrapt op een buitenechtelijke affaire. Achteraf blijkt dat hij er al eerder een punt achter had gezet. Maar Voorthuis komt de affaire als eerste op het spoor. Eelsing bezoekt bij zijn terugkomst van vakantie zijn thuisgemeente te Arnhem. Hij heeft spijt, toont berouw in het openbaar en vraagt om vergeving. Ook aan zijn vrouw, die hem terugneemt.

Volgens de regels van de kerk (in die tijd) moet hij geroyeerd worden als lid. Want Eelsing is op overspel betrapt. Hij heeft dus niet uit eigen beweging schuld bekend. Pas na zijn vakantie belijdt hij schuld als Voorthuis zijn plaats als voorzitter al heeft ingenomen. Maar deze regel kan in Eelsings geval niet toegepast worden. In plaats daarvan wordt hem een jaar kerkelijke tucht opgelegd. Aan het eind daarvan moet blijken of hij zijn belofte nakomt. Want Eelsing heeft, volgens Voorthuis, al eerder beloofd met de buitenechtelijke relatie te stoppen. Vandaar een jaar tucht (op proef). Daarna kan hij zijn lidmaatschap behouden en eventueel op de achtergrond kerkelijke functies vervullen.

De tuchtmaatregel moet echter door de thuisgemeente opgelegd worden. Het Uniebestuur geeft de Adventgemeente Arnhem daartoe de opdracht. De gemeente weigert echter met grote meerderheid van stemmen. Eelsing wil nu zijn status als predikant terug. Hij verlangt een onpartijdige beslissing van de Generale Conferentie in de VS. Maar deze bevestigt het besluit van het Uniebestuur. Er wordt uiteindelijk werk voor Eelsing gevonden op de achtergrond. En er wordt een financiële regeling getroffen via de Noord- Europese Divisie. Hiermee is de zaak beslist. Voorthuis is nu gekozen als Eelsings opvolger.

Voorzitter van de Nederlandse Unie.

Voorthuis is de grondlegger en leider van de naoorlogse Adventkerk in Nederland. Hij is daartoe voorbereid door zijn vader; zijn schoonvader en zijn oudere broer. Als voorzitter van de Nederlandse Unie, ontpopt hij zich als leider van formaat. Hij staat te boek als de langstzittende unievoorzitter ooit (18 jaar). Voorthuis verenigt het beste uit de Duitse erfenis en de Anglo-Amerikaanse traditie. Hij heeft elf boeken op zijn naam staan en is bij koninklijk besluit benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau (17 april 1972).

Na de oorlog wordt de Nederlandse Unie ondergebracht bij de Noord-Europese Divisie. De hoofdzetel bevindt zich eerst in Zweden (Stockholm), later in Engeland. De Nederlandse Unie oriënteert zich steeds meer op de Engelssprekende wereld. De opleiding voor predikant verplaatst zich van Duitsland naar Nederland, Engeland en de VS. Aan het kinderhuis Zonheuvel (1932) en de kerkelijke uitgeverij in Den Haag (1924) worden andere instituten toegevoegd. Bovendien ontwikkelt de Nederlandse Unie verschillende secretariaten zoals het JeugDe Werkererk (waaronder scouting), de stichting ‘Leven en Gezondheid’, het Radiowerk en ‘Public Relations’. De hiërarchische bestuursvorm verDe Werkerijnt. Werkers worden niet meer willekeurig bejegend, zoals onder het oude systeem. Een meer collegiale vorm van bestuur wordt ingesteld. Dit groeit in de jaren 70 uit tot een uitgebreid stelsel van adviesorganen. Dit als gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen.

Na de loskoppeling van Duitsland, richt de Nederlandse kerkprovincie zich steeds meer op de  Adventkerk in de VS. In 1954/55 waaien nieuwe ideeën over. Het ‘Gesloten Heilig Avondmaal’ wordt ter discussie gesteld. En ‘Waarom moeten ongedoopte geweerd worden van het Heilig Avondmaal?’ Ook het onderwerp ‘de vrouw in het ambt’ zorgt voor veel commotie. Voorthuis blijkt open te staan voor nieuwe inzichten.

Confrontaties met de Reformatiebeweging en ‘Het Zoeklicht’ van Johan de Heer nemen eind jaren 40 toe.

Vlak na de oorlog worden aanzienlijke bedragen overgemaakt op de bankrekening van de Nederlandse Unie. Deze bedragen worden ter beschikking gesteld door zusterorganisaties in de VS en de Noord-Europese Divisie. Ze zijn o.m. bedoeld voor de bouw van kerken. Er wordt afgerekend met de zaaltjesmentaliteit. Men streeft naar het vergaderen in eigen gebouwen. Gunstige bouwvoorwaarden en subsidies door de overheid werken mee.

Eigen kerkgebouwen worden in bezit genomen in Den Haag (foto) (foto 2), Rotterdam Zuid en Noord, Nijmegen, Arnhem, Enschede, Hilversum, Dordrecht, Apeldoorn, Heerlen, Groningen (foto) en Leeuwarden. In Amsterdam wordt de Waalse Kerk aangekocht (Keizersgracht 676). Kerken worden gehuurd als ze niet gebouwd of gekocht kunnen worden. Eenvoudige vormen van liturgie doen aarzelend hun intrede. De plattegronden van sommige van deze (eigen) kerkgebouwen verraden een liturgische behoefte. De preken gaan niet alleen over profetisch historische onderwerpen. Meer evangelische thema’s krijgen een kans. Er wordt gestreefd naar academische titels. Een nieuw zangboek wordt samengesteld. Een diversiteit aan boeken en periodieken worden uitgegeven. Allemaal ontwikkelingen die illustratief zijn voor de institutionalisering van de Adventkerk in Nederland. De mentaliteit van een beweging wordt vervangen door het gevoel een kerk te zijn.

In het gemeenteblad ‘De Adventbode’ worden de geschriften van Ellen White uitvoerig onder de aandacht gebracht. Voorthuis neemt daarmee bewust afstand van het standpunt van Piet (zijn oudere broer). De gezondheidsboodschap en bepaalde kledingsvoorschriften krijgen extra aandacht. Klaas Tilstra, Voorthuis’s tijdelijke opvolger, en (vooral) zijn vrouw zijn overtuigde Ellen White promotors. In 1951 brengt Arthur, Ellen White’s kleinzoon, een bezoek aan het Nederlandse Veld. De drie delen uit ‘De Schatkamer der Getuigenissen’ geschreven door Ellen White, worden in 1952 vertaald en onder de leden verspreid.

In 1949 wordt Voorthuis belast met het radiopastoraat. De eerste Nederlandse radio uitzending vindt plaats op 16 december. Dit gebeurt via radio Luxemburg. Het zuilenbolwerk in Nederland laat hem geen andere keus. Deze functie heeft hij 21 jaar uitgeoefend. In die tijd heeft hij ruim 1000 radiotoespraken gehouden met een luisterdichtheid van 130.000.

Verder heeft Voorthuis nog verschillende andere kerkelijke functies vervuld. In 1950/53 als secretaris van het Weldadigheidswerk en de Bond Onthouding Tabak en Alcohol en van 1950 tot 1971 als secretaris voor godsdienstvrijheid.

Per 1 jan 1951 wordt het hoofdkwartier van de Noord-Europese Divisie gevestigd te Londen. De behoudende Zuid Afrikaan A. F. Tarr wordt nu benoemd tot voorzitter. Hij heeft als Zuid-Afrikaan een speciale band met Nederland.. Zijn motto is: ‘Terugkeer naar de oude paden!’

Een periode van groei breekt aan. Zes procent groei in de periode 1950-1953. 14.5 % groei in de periode 1955-1958. De tiendeninkomsten stijgen met 60%. Er zijn nu 42 georganiseerde Adventgemeente met 19 ingezegende predikanten, 11 hulppredikanten, 4 evangelisten, waaronder twee vrouwelijke, 24 colporteurs en 58 andere employees. Het aantal gedoopte leden bedraagt 2600. Daaronder bevinden zich een flink aantal repatrianten uit Indonesië. Zij vullen de lege plaatsen op van kerkverlaters en emigranten.

In 1955 bestaat het Uniebestuur uit: ‘Voorthuis als voorzitter, gecombineerd met de secretariaten Godsdienstvrijheid, radio en pers. Arno Schmutzler als secretaris plus het secretariaat voor onderwijs. Klaas Beyer als penningmeester en Piet Voorthuis voor de secretariaten ‘Sabbatschool’ en de ‘Stem der Profetie’ (Schiftelijke Bijbelcursus). Een paar jaar later zou Schmutzler deze functie van hem overnemen. De Rotterdammer Nico Heykoop neemt dan zijn plaats in als rector van de HBS annex Theologische Seminarie op het landgoed Oud Zandbergen.

Voorthuis schrijft in het kerkblad ‘De Adventbode’ van 15 juli 1955 op blz. 22: ‘Welk een verblijdend bericht dat er in deze afgelopen 4 jaren door een betrekkelijk klein aantal personen ruim een miljoen tijdschriften en bijna 228,000 boeken en brochures zijn verspreid.

Ook wordt de Adventkerk  steeds meer als kerkgenootschap erkend. In ‘de Adventbode’ van 1 Mei 1957 blz. 5,  schrijft Voorthuis: ‘Hoogleraren en docenten in Nederland schrijven belangstellend en waarderend over adventistische theologie. Onze kerk is niet sektarisch.  Het is een zelfstandige religie, die niet maar zondermeer naast de een of andere stroming te plaatsen is.

De Nederlandse Unie telt eind 1957, 2496 gedoopte leden.

Op 3 oktober 1958 vindt de steenlegging plaats van het nieuwe kerkgebouw in Den Haag.  Op 25 juli 1959 wordt de kerk voor het eerst in gebruik genomen. De kerkzaal beschikt over 550 zitplaatsen plus ruimte voor uniekantoren. Tijdens de inhuldiging geeft Voorthuis een kort overzicht van de tijd dat de eerste leden in Den Haag gewonnen waren en de verdere ontwikkelingen tot op heden. De eerste gemeente vergaderde in een pand aan de Lutherse Burgwal, daarna in de Van Speykstraat. Daarna geruime tijd in een eigen kerkzaal aan de Lange Beestenmarkt. Ten slotte in het gebouw Theosofia. Aldus de Adventbode van 1 september 1959, blz. 8, 9. Al een paar jaar eerder verrezen ook twee nieuwe kerkgebouwen in Rotterdam.

In de Adventbode van 1 juni 1959 wordt door Voorthuis melding gemaakt van de aanstelling van twee vrouwelijke evangelisten, na hun graduatie op het Theologisch Seminarie. ‘Al eerder waren in Finland twee vrouwelijke evangelisten aangesteld, die in een stad Openbare Lezingen hielden en een gemeente stichtte van 160 personen, aldus Voorthuis. Hij voegt daar wel aan toe ‘…dat het een ieder wel bekend zal zijn, dat zusters in onze kerk niet voor enig ambt worden ingezegend’.

Strijd om Harmageddon

In 1959 breekt een conflict uit over de ‘Strijd van Harmageddon’. In de VS circuleert na de oorlog een andere visie. Er wordt meer afstand genomen van de geopolitieke verklaringen in het boek van Uriah Smith, ook wel de ‘rechte lijn’ visie genoemd. Smith stond jarenlang bekend als een bekwaam schrijver, met veel gezag. Volgens hem zou het verschrompelde Ottomaanse rijk plaatsmaken voor de opmars van het gele gevaar. In de bijbel aangeduid als de ‘drie koningen uit het Oosten’. Deze opmars zou volgens Smith, uitlopen op de laatste strijd, ook wel ‘Harmageddon’ genoemd. Uiteindelijk zou deze strijd uitgevochten worden in Palestina (het huidige Israël), vlak voor de wederkomst van Christus, aldus Smith.

Het eerste adventistische bijbelcommentaar komt uit in 1957. In aanloop daarvan wordt nagedacht over een andere visie. Naast de ‘rechte lijn uitleg’ wordt ruimte geschapen voor een ‘recapitulatie model’.

In de profetische geschriften van de Bijbel keren bepaalde thema’s steeds weer terug. Daarachter zou een diepere geestelijke betekenis schuil gaan. Er wordt naar een christo-centrische uitleg gezocht. Twee leden uit de adventgemeente Rotterdam zetten deze nieuwe uitleg in 1959 op de agenda.

Voorthuis heeft het daar moeilijk mee. Hij zoekt naar punten van overeenkomst onderverdeeld in de zienswijzen A en B.  A gaat uit van de Oosterse versie in conflict met de westerse volkeren. Zienswijze B gaat uit van al de volkeren der aarde tezamen tegen de gelovigen, tegen elkaar en tegen de ‘Vorst des hemels’ (De wederkomst van Christus op de wolken) en diens heirlegers. Maar hij voegt er aan toe: ‘Veel belangrijker dan gissingen over de details van de strijd  van Harmageddon is de geestelijke worsteling en zegepraal van Jezus Christus in ons eigen leven’.

Ondertussen verandert er veel in Nederland. Sociaal economische voorwaarden verbeteren. Er is meer tijd voor andere dingen. De tolerante sfeer van een ‘permissive society’ treedt in. Het toenemen van de welvaart leidt tot voortschrijdende ontkerkelijking. Ook Zevendedag adventisten ondergaan deze invloeden. Het militante karakter wordt afgezwakt. De ruimte voor verscheidenheid in geloofsbeleving wordt groter. Dit wordt door sommigen als achteruitgang ervaren door anderen als winst.

 

De Boekwijt-kwestie.

De woelige 60 –er jaren manifesteren zich ook binnen de Adventkerk. Er ontstaat een lekenbeweging. Het zijn de leken die door hun tienden en gaven het werk dragen. Men wenst meer invloed op het beleid. Predikanten hebben niet alle wijsheid in pacht. De aanval wordt ingezet op de top van de piramide. Het is vooral Voorthuis die het moet ontgelden.

Een van de notabelen van de Adventgemeente Den Haag richt een stichting op. De bedoeling is om leken te mobiliseren. Er wordt een blad uitgegeven genaamd ‘De Stem der Leken’. Een maandblad, waarin wordt uiteengezet hoe leken meer invloed kunnen uitoefenen op het bestuursapparaat. Uiteindelijk loopt de hele affaire uit op een rechtelijke procedure. Het is de enige keer dat het hoofdbestuur van de Adventkerk in Nederland een zaak tegen een gemeentelid aanspant. Dr. W. Wintzen, de zwager van Voorthuis, bleek ook bij de “samenzwering” betrokken te zijn, hetgeen de familieverhoudingen niet ten goede kwam. Het heeft de laatste jaren van Voorthuis’ voorzitterschap getekend en heeft veel van hem geëist. Met als gevolg een ziekteverlof van drie maanden en de overdracht van verantwoordelijkheden.

Het begon allemaal met de oprichting van een stichting op 11 febr. 1964, op initiatief van Mr. A. G. Boekwijt,  lid van de Adventgemeente Den Haag, die bij de laatste verkiezingen niet herkozen werd in het kerkbestuur. Zijn beweegredenen waren: ‘De Nederlandse Adventkerk is op dood spoor. Er is sprake van een magere zielenoogst. Er worden geen openbare lezingen op niveau gehouden. Een selectie van sprekers is hard nodig, zodat de boodschap weer op de juiste wijze wordt weergegeven’. Verder moet een vrije discussie plaatsvinden m.b.t.:

  1. Doelmatigheid.
  2. Interne organisatie.
  3. Meer deskundige leken in het Algemeen kerkbestuur.
  4. Meer democratisering van verkiezing procedures.
  5. De oprichting van een rekenkamer.
  6. de pensioenen van predikanten en ander personeel.
  7. Een nauwere samenwerking met hoofdbesturen van de Adventkerk in andere landen.

Het eerste nummer van ‘De Stem der Leken’ komt uit in maart 1964 en het laatste eind 1967 (een deel van nr. 6) Enkele vermogende medestanders zeggen in het geheim financiële hulp toe. Ook verzamelen zij lijsten van adressen van leden. De bedoeling is dat zo mogelijk alle leden van de Adventkerk in Nederland het blad zullen ontvangen. Daarop volgen de nodige reacties.

Allereerst van de heer J. J. Breuker, ouderling van de Adventgemeente den Haag, waar Mr. A. G. Boekwijt als lid is ingeschreven. Hij organiseert op 19 maart een huishoudelijke vergadering waar ook Schmutzler, secretaris van de Nederlandse Unie bij aanwezig is. Schmutzler schrijft daarop een aangetekende brief aan Boekwijt. Hij doet dat namens de kerkbesturen van Den Haag, de Zuid Ned. Conferentie en de Ned. Unie. Zijn boodschap luidt: ‘De Stichting moet voor 1 april 1964 worden opgeheven’.

Voorthuis stuurt als voorzitter eveneens een brief met dezelfde strekking. Waarop Boekwijt reageert met de mededeling, dat hij op 1 april beschikbaar is voor een onderhoud. Voorthuis laat echter weten dat hij daar niet op kan wachten. Hij wenst een onderhoud op korte termijn. Want op 21 maart zal in alle Adventgemeenten een verklaring worden voorgelezen gericht aan alle leden. Waarop Boekwijt antwoordt, dat hij eerst alleen met het kerkbestuur van de Adventgemeente Den Haag wil spreken. Daarna, indien nodig, met het Algemeen kerkbestuur. Volgens hem, is dit de hiërarchische weg. Bovendien toont Voorthuis een gebrek aan zelfbeheersing, aldus Boekwijt.

Uiteindelijk vindt er op 1 april 1964, een gesprek plaats in het Haagse kerkgebouw. Gemeentepredikant Berend Slond leidt de vergadering. Hij stelt vast dat de oprichting van een stichting in strijd is met het Kerkelijk Handboek. Hij vraagt Boekwijt of hij het daar mee eens is. Boekwijt stelt, dat een stichting geen organisatie van leden is. Zijn doelstelling is ‘een vrije discussie’. Volgens hem is er ook geen sprake van een afscheiding. Want  Boekwijt is bereid zijn stichting op te heffen zodra zijn doelstelling is bereikt. Daarop wijzen meerdere leden van het Haagse kerkbestuur er op dat dit een verkeerde interpretatie is van het Kerkelijk Handboek.

Vervolgens wordt aan Boekwijt de vraag gesteld: ‘Waarom niet samenwerken met het Algemeen Kerkbestuur?’ Waarop hij reageert met de woorden: ‘Het Algemeen Kerkbestuur torpedeert al mijn voorstellen’. Besloten wordt, dat er pas weer een bespreking komt, zodra hij zijn stichting heeft opgeheven. Vervolgens verwijst het kerkbestuur de kwestie naar het Algemeen Kerkbestuur, dat eveneens in Den Haag gevestigd is.

Ondertussen verschijnt in april 1964 weer een nieuwe ‘Stem der Leken’. Met als onderwerp: ‘De verkiezingen op de a.s. Conferentie’. Het Algemeen Kerkbestuur nodigt daarop Boekwijt per brief uit om op 19 april voor het Algemeen Kerkbestuur te verschijnen.

Intussen nodigt Voorthuis per rondschrijven alle functionarissen van het Algemeen Kerkbestuur en de Zuid Nederlandse Conferentie en het Kerkbestuur van Den Haag uit  om op 19 april voor een vergadering bijeen te komen. Waarop Boekwijt reageert met de woorden: ‘Voorthuis geeft geen gefundeerde gronden…De bedoeling was dat alleen een delegatie van het kerkbestuur van Den Haag met hem zou spreken…Boekwijt wil beslist niet voor drie besturen verschijnen. Hij is wel bereid drie leden van de drie besturen bij hem thuis uit te nodigen. Deze besprekingen kunnen dan ook meerdere keren plaatsvinden. Bovendien is hem niet gevraagd of het hem wel schikt om op 19 april te verschijnen. Er is ook geen sprake van een agenda en nadere omstandigheden waaronder het gesprek zal plaatsvinden. Meerdere gesprekken met drie broeders lijkt hem beter. Want het gesprek in het Haagse kerkgebouw op 1 april j. l. heeft gefaald. Een herhaling van dit soort gesprekken is volgens hem zinloos. Er was geen sprake van geestelijke herders, wel van machtsuitoefening. Zo werd bij de vergadering bezwaar gemaakt tegen het gebruik van een bandrecorder. Boekwijt mag wel alles opschrijven. Waarom dan geen bandrecorder? U had toch eerlijke bedoelingen? Aldus Boekwijt. Kortom, hij is niet bereid om op 19 april te verschijnen.

De drie besturen besluiten een delegatie van drie leden van het Haagse Kerkbestuur o.l.v. Slond af te vaardigen om met Boekwijt op 25 april te spreken. Waarop Boekwijt reageert met de woorden: ‘Ik ben klaar met het Haagse kerkbestuur. Ik wil ze niet ontvangen’. Hij is echter wel bereid om een pastoraal onderhoud te hebben met Slond alleen. Hij belooft daarbij meegaand te zijn en z’n mond te houden. Toch bleek naderhand, dat Boekwijt de dag ervoor opnieuw een derde uitgave van het blad ‘De Stem der Leken’ liet verspreiden, die hij, volgens eigen zeggen, niet meer terug kon halen. Het betrof nr. 4, de mei editie van 1964, waarin de kerkelijke financiën kritisch onder de loep worden genomen. Het betreft ondermeer de predikanten die niet zelf hun tienden kunnen betalen. Terwijl predikanten in hogere functies zelf hun eigen salaris schijnen vast te stellen. Bij elke verhoging worden hun salarissen automatisch ook verhoogd. Bovendien bestaat er geen neutrale instantie voor predikanten om beroep aan te tekenen. Er zou angst heersen onder het predikanten corps. Een Rekenkamer met deskundige leken zou uitkomst kunnen brengen. Voorzitters treden in vergaderingen De Werkeringend op. Een Rekenkamer zou dit alles kunnen voorkomen.

‘Nu dient te worden ingegrepen!’, aldus een rondschrijven van Voorthuis, verstuurd op 8 oktober 1964, gericht aan de Adventgemeente Den Haag. Op 15 november 1964 wordt nu in de Haagse Adventgemeente een huishoudelijke vergadering belegd. De vergadering vat het resultaat samen met de woorden: ‘De Haagse gemeente heeft gesproken’. Daarmee wordt bedoeld: ‘Boekwijt wordt als lid uitgeschreven, als hij doorgaat met het publiceren en verspreiden van het blad ‘De Stem der Leken’. Dit houdt in dat met ingang van heden een kerkelijke censuur van 30 dagen over hem wordt uitgesproken. Gedurende die tijd heeft hij gelegenheid zijn stichting op te heffen, zijn acties te staken en aantijgingen tegen de leidende broeders terug te nemen. Als hij niet meewerkt, zal hij op de eerstvolgende huishoudelijke vergadering worden geroyeerd als lid. Wanneer hij gedurende die 30 dagen opnieuw een rondschrijven doet uitgaan naar de leden, wordt zijn lidmaatschap automatisch beëindigd.

Later zou blijken, dat dit besluit niet in overeenstemming was met het Kerkelijk Handboek. Er staan geen aanwijzingen in het Handboek over ‘automatische uitschrijvingen’. Er had van te voren over gestemd moeten worden tijdens een extra ingelaste huishoudelijke vergadering. Toch wordt deze resolutie met 90 stemmen voor en 20 tegen plus 4 onthoudingen aangenomen. Maar Boekwijt gaat tijdens de 30 dagen gewoon door met het verzenden van nieuwe afleveringen, hetgeen in principe het einde zou betekenen van zijn lidmaatschap.

Boekwijt reageert op 11 januari 1965 met een brief gericht aan de drie besturen met de woorden: ‘Als er binnen 8 dagen na heden geen bevredigend antwoord komt, zal ik mij beraden over verdere stappen…’. Hij wenst nu een ‘ongeldigheidverklaring van het besluit van de huishoudelijke vergadering van 15 november1964, plus eerherstel. Hij adviseert: ‘Uw juridische adviseur te raadplegen, opdat u niet door gemis aan inzicht te lichtvaardig mocht denken over de consequenties van uw handelswijze’.

Met als gevolg: ‘Een dagvaarding door advocaat D. G. Maris op 8 april 1965. Want Boekwijt heeft zijn bezwaren in zijn toespraak van 15 november en zijn brief van 22 november1964 duidelijk kenbaar gemaakt. Hij kreeg daarbij geen gelegenheid om de zaak in der minne te schikken, hoewel hij er wel op heeft aangedrongen…Mr. Maris, zijn advocaat stelt als gevolg daarvan vast: ‘Nu is er opnieuw een gelegenheid om Boekwijt vrijwillig en volledig in zijn lidmaatschap te herstellen…’. Want eiser Boekwijt moet onmiddellijk weer toegelaten worden als lid en wel met een De Werkerangsom van 300,- gulden per dag zolang gedaagden in gebreke blijven hem opnieuw als lid te accepteren’, aldus Mr. Maris. Ook in het novembernummer van 1964 wordt alle correspondentie weer opgenomen in ‘De Stem der Leken’.

De rechtzitting vindt plaats op 4 Jan. 1966. Mr. Hortensius voert de verdediging namens het kerkgenootschap. Hij verklaart de vordering van eiser Boekwijt voor ‘niet ontvankelijk’. De eiser moet nu opdraaien voor de kosten van het geding…Mr. Hortensius verklaart: ‘Want Boekwijt gaat maar door met z’n blaadje en publiceert gegevens over de procedure…Hij doet dat op een eenzijdige manier terwijl de zaak onder de rechter ligt. Dit is niet in overeenstemming met goede gebruiken. Maris moet Boekwijt daarop wijzen’. Aldus de brief van Hortensius aan Maris van 31 Jan. 1967.

Nu volgt een beroepstermijn van 3 maanden. De rechter commissaris heeft behoefte aan meer informatie over het Kerkelijk Handboek. Daartoe worden Voorthuis, Slond en J. A. de Ruiter, toen voorzitter van de Zuid Ned. Conferentie, ondervraagd. Zij verschijnen voor de rechter commissaris op 13 dec. 1966. Voorthuis voert het woord. Hij heeft intussen ruggespraak gepleegd met de voorzitters van de Noord-Europese Divisie en de Generale Conferentie. Zijn boodschap luidt: ‘Het Kerkelijk Handboek is niet bindend. Het is bedoeld als gids. Er wordt wel vaker van het Handboek afgeweken. Het heeft dus geen autoriteit. Maar het Handboek kent geen automatische uitsluiten’. Dus ook niet in  geval van Boekwijt.

Het vonnis valt op 9 febr. 1967. Het besluit van de huishoudelijke vergadering van 15 november 1964 over onder censuurstelling, wordt nietig verklaard en in verband daarmee ook het besluit van de gemeente tot uitsluiting’. Hetgeen betekent dat Boekwijt automatisch weer lid is van de Adventgemeente Den Haag, waar hij helaas geen prijs meer op stelde. Omdat het Kerkelijk Handboek slechts bedoeld is als gids en geen juridische basis kent, wordt de De Werkerangsom van 300 gulden per dag, niet ontvankelijk verklaard. Hiermee komt een einde aan de Boekwijt kwestie.

In de hele situatie bleven de leken, op enkele uitzonderingen na, massaal achter Voorthuis staan. Zijn achttienjarige voorzitterschap is de Nederlandse Adventkerk op vele gebieden zeer ten goede gekomen. Nu werd het tijd om plaats te maken voor een opvolger. Voorthuis zelf heeft dat goed begrepen. Vanaf 1967 draagt hij geleidelijk verantwoordelijkheden over aan anderen.

Op 17 april 1972 wordt hij bij besluit van H. K. Koningin Juliana benoem tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau.

Frederik Johannes Voorthuis sterft op 21 November 1986 te Basel, Zwitserland. Daar heeft hij samen met zijn vrouw gewoond na zijn pensionering. Hij al enige tijd vrij ernstig ziek. De rouwdienst werd gehouden op maandag 1 Dec. in de Thomas kerk aan de Oranje Nassaulaan te Zeist en de teraardebestelling op de Alg. Begraafplaats aan de Woudenbergseweg.

 

Functie(s) en werkzaamheden per jaar met bronvermelding.

Scholier, leider jongeliedenbond en kandidaat predikant.

 

1921

Voorthuis krijgt toestemming om de adventistische bijbelschool te Neanderthal in Duitsland te bezoeken. Arie Ringelberg en Wilhelm Holwerda zijn jaargenoten (Notulen Hoofdbestuur, 11 juli 1921, punt 13;  De Werker 15 november 1925, p. 63 ).

Besluit Nederlandse Vereniging te Den Haag: ‘Wij besluiten dat iedere gemeente, beambte en prediker plannen zal leggen…tot het organiseren van jongeliedenbonden en kindersabbatscholen, opdat zij opgeleid worden in Gods werk mede te helpen’. (De Werker, april 1922, p. 17).

1923.

Voorthuis richt de Utrechtse jongeliedenbond ‘Immanuel’ op. Hij organiseert een colportagedag in Zeist. Het besluit, volgens  het 1e artikel in het kerkblad, luidt: ‘…dat wij nog veel mogen doen tot redding van een verloren gaande wereld, is onze vurige wens en bede’ (De Werker, 15 aug. 1923, p. 47). De eerste dopeling meldt zich aan door bemiddeling van de pas opgerichte Utrechtse Jonge Lieden Bond (idem, p. 48).

1924.

Het Internationaal Advent Zendingsgenootschap bevindt zich sinds 1920 in een huurpand aan de Conradkade 4 in Den Haag. In het gemeenteblad ‘De Werker’ van 1 okt. verschijnt plotseling een adreswijziging. Het Advent Zendingsgenootschap is verhuisd naar de Weede van Dijkveldstraat 77 in Den Haag (Het ligt in het Statenkwartier, één van de duurste wijken van de stad). Later blijkt dat het met Duits geld betaald is. Bovendien staat het op naam van het centrale adventistische uitgevershuis te Hamburg. Vóór 1920 was dit de enige uitgeverij in Europa. Daarna worden twee filialen geopend. Eén in Hongarije en de ander in Den Haag (De Werker 1 oktober 1924).

De aankoop is omstreden. Afgevaardigden op de jaarconferentie zijn niet overtuigd van de noodzaak. Zij vragen zich af of het Nederlandse Veld de kosten kan dragen. Men ontvangt liever geld uit Duitsland voor kerkbouw. Daar is het meest behoefte aan. In Duitsland zelf verrijzen na de Eerste Wereldoorlog de eerste monumentale adventistische kerkgebouwen in Berlijn en Chemnitz. Voor die tijd beschikte men, ook in Duitsland, nauwelijks over eigen kapellen. Het Nederlandse Veld heeft echter nooit geld uit Duitsland ontvangen voor de bouw of aankoop van kerkgebouwen. Alleen het pand in het Statenkwartier is met Duits geld betaald.

Al spoedig blijkt, dat het bij de adreswijziging om de oprichting van een eigen uitgeverij gaat. Een grote wens van voorzitter Joseph Wintzen gaat in vervulling. De verkoop van boeken en bladen moet het werk in Nederland een nieuwe impuls geven. Eindelijk wordt de gouden formule van Conradi ook in Nederland consequent doorgevoerd. In deze formule is de scheidingslijn tussen beroeps colporteurs en predikanten zeer dun. Vooral als predikanten nog geen gemeente gesticht hebben, nog niet ingezegend zijn of weinig succes hebben. Elk jaar wordt door de leiding voor elke predikant een verkoopbedrag vastgesteld. Vervolgens wordt dit bedrag verrekend met het salaris. ‘Zomercolportage’ wordt een verplicht nummer.

Deze formule wordt door Wintzen (tot 1943) streng toegepast (De Adventbode, 1 aug. 1933, p. 16). Zelfs strenger dan in Duitsland zelf. Na 1940 verschijnen echter de eerste tekenen van verzet. Tijdens een predikantenvergadering in1941 wordt een limiet gesteld. Wie een gemeente van 100 leden heeft en 50 adressen voor bijbelstudie, is vrijgesteld. Daarbij wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen oudere en jongere predikanten. In 1943 komt de klad er in wegens papiergebrek.

Na de oorlog maakt Nederland deel uit van de Noord Europese Divisie. Daar gelden andere regels. Het opleggen van verkoopsquota aan predikanten raakt uit de mode. De vraag is: ‘Heeft de uitgeverij nog wel bestaansrecht?’ Voorthuis denkt van wel. Maar het ‘sociale colporteurs probleem’ baart hem vanaf 1950 zorgen. Kosten stijgen, winsten dalen. Uiteindelijk blijkt de uitgeverij niet levensvatbaar. Het Nederlandse Veld is te klein en de sociale lasten te hoog. Eind 80-er jaren gaat geleidelijk aan het licht uit.

Voorthuis en Holwerda zijn tegelijk klaar met hun opleiding. Zij vervangen de predikanten Piet Schilstra  en Johan Eelsing. Schilstra vertrekt naar Belgie en Eelsing (zwager van Wintzen) vertrekt als eerste Nederlandse predikant naar Nederlands Indië  Hij zal daar carrière maken als zendingdirecteur.

1925

Voorthuis wordt aangesteld als kandidaat praktikant  in de stad Groningen. Het werk moet daar opnieuw worden opgebouwd  (Notulen Hoofdbestuur, 3 okt. 1925; De Werker, 15  november 1925). Vermoedelijk als gevolg van de plotselinge opheffing door Wintzen van het Oost Nederlandse Veld in 1922. Ook het vertrek van de Groninger Joseph Wibbens en de Fries Pieter Schilstra naar Belgie is een mogelijke oorzaak.

Wintzen besluit tot een najaarsoffensief. Hij houdt elke donderdagavond een openbare lezing in de gehuurde zaal van het Militair Tehuis in Groningen. Voorthuis brengt uittreksels rond en zoekt contact met belangstellenden. Hij legt daarbij ook contacten met ex-leden, en organiseert na een jaar een groep van 12 personen. Vanaf die tijd neemt de samenwerking tussen Wintzen en Voorthuis toe.

1926

Wintzen wordt nu gekozen als voorzitter van de West Duitse Unie. Hij verhuist daarvoor van Den Haag naar Bonn (Notulen Hoofdbestuur, 18 juli 1926). Hij moet in de West Duitse Unie de colportage weer tot leven brengen. Eerst wordt de Duitse predikant O. Giebel gekozen als opvolger (idem). Twee jaar later wordt de Duitser Wilhelm John gekozen tot leider van het Nederlandse Veld (De Werker, 1 okt. 1928, p. 55). Wintzen blijft vanuit Bonn over zijn schouder meekijken.

Voorthuis wordt nu verplaatst naar Winschoten. Hij houdt daar Openbare Lezingen in de Lutherse Kerk met twee dopelingen als resultaat .

 

 

Den Haag.

1926.

Het uitgeverswerk in Duitsland komt na de Eerste Wereldoorlog maar langzaam op gang. In 1926 telt het werk in heel Duitsland slechts 25 colporteurs. In de jaren 30 stijgt dit aantal tot 500. De toenemende invloed van het nazisme  betekent het einde. De uitgeverij in Hamburg kan als kerkelijk instituut niet meer functioneren. Alleen op privé basis zijn er nog mogelijkheden. In 1941 komen alle activiteiten op last van de overheid tot stilstand

1927 (aug).

Een jaarconferentie vindt plaats te Amsterdam. Voorthuis wordt vermeld als zendingsarbeider (De Werker, 1 okt. 1927, p. 50). Ook wordt besloten dat Voorthuis naar Den Haag verplaatst wordt (Notulen Hoofdbestuur, 21 aug. 1927,  punt 2). Vanaf die tijd wordt Voorthuis bij het redactiewerk betrokken. Hij mag samen met O. Giebel, W. Berthold (Duitsers) en de Nederlander Willem Betram, als afgevaardigde naar een vergadering van de ‘Wereldbond der Kerken’ te Utrecht gaan. Voorthuis schrijft een positief verslag maar benadrukt de drie engelenboodschap (De Werker, 15 november 1927, pp. 58, 59).

1928.

De Duitser H. Schell, is sinds 1922 penningmeester van het Nederlandse Veld, maar in hoofdzaak leider van het uitgevershuis in Den Haag. Het redactiewerk wordt nu voor het eerst gedaan door Schell samen met Voorthuis. Maar na Schell’s vertrek naar Nederlands Indië in 1928, alleen door Voorthuis (Strijd en Overwinning- rondschrijven 1933, pp. 92, 93) (Strijd en Overwinning deel 2). Wintzen ziet in hem de toekomstig redacteur en leider van het uitgeverswerk in het Nederlandse Veld.  P. Bridde (Duitser) neemt tijdelijk de plaats in van Schell als penningmeester.

Besloten wordt om Voorthuis naar Hamburg  te sturen om zich te bekwamen voor het uitgeverswerk  (Notulen Hoofdbestuur, 23 sept. 1928,).Voorthuis loopt daar zeven maanden stage. Hij verricht daarnaast redactioneel werk voor het boekenhuis in Den Haag. Ook vervangt hij P. Bridde als penningmeester (De Adventbode, 15 aug. 1929, p. 3, punt 9). Tegelijkertijd begint Voorthuis met het uitgeverswerk waar hij nu voor is opgeleid. Voorthuis heeft deze functie behouden tot 1 jan. 1974.

Voorthuis vestigt zijn reputatie als schrijver. Zo schrijft hij de nieuwjaarsbede in kerkblad ‘De Werker’ van 1 januari 1928 (De Werker, 1 jan. 1928, pp. 1-3). Daarna volgen in februari, juli en augustus drie artikelen van pastorale aard (De Werker, 15 febr. pp. 10, 11; 1 juli pp. 36-38; 15 aug.,  pp. 45, 46).

Hij werkt (in 1929) aan zijn eerste boekje getiteld ‘In de Schaduw van het Kruis’ (Notulen Hoofdbestuur, 3 dec. 1932). Ook mag hij naar een zomercursus in Engeland om beter Engels te leren.  Hij wordt eveneens bevorderd tot hulppredikant samen met Arie Ringelberg  en Willem Holwerda (De Werker, 1 juli 1928, p. 34). Ook mag hij als afgevaardigde (samen met twee jeugdleiders) naar Eerste Internationale Jeugdcongres te Chemnitz  (Notulen Hoofdbestuur, 17-20 mei 1928, punt 5).

1930.

Na het vertrek  van Bridde, wordt Voorthuis benoemd tot penningmeester in combinatie met redactiewerk. Hij krijgt verkering met Elfriede, de dochter van Wintzen. Hij trouwt met haar op 3 september 1930 en neemt zijn intrek op de zolderetage van het boekenhuis in Den Haag aan de van Weede van Dijkveldt straat.

Jantine Wintzen-Potze, is de vrouw van Wintzen. Zij overlijdt op 18 Januari 1930. Ze is 47 jaar oud (De Adventbode, 1 febr. 1930, pp. 7,8). Wintzen geeft zijn post als voorzitter van de West Duitse Unie op. Hij verhuist weer van Bonn naar Den Haag. Hij wordt door de Centraal Europese Divisie gevraagd om een inspectiereis te maken door Nederlands Indië (De Adventbode, 1 dec. 1930, p. 4). Hij vertrekt in december 1930 en komt pas in augustus 1932 terug.

Na zijn vertrek naar Nederlands Indië breekt een conflict uit in het Nederlandse Veld. Wilhelm John, de nieuwe Duitse voorzitter, wordt tegengewerkt. Hij spreekt zelfs over ‘Duitserhaat’. De financiën lopen terug. Accountant Minne Kramer uit Leeuwarden, lokt een conflict uit. Hij pleit voor meer openheid. In het bijzonder wat het financiële beleid aangaat. Ook bekritiseert hij de Duitse vergadercultuur.  Hij schrijft over willekeur in de toekenning van vergoedingen en het voortrekken van familieleden. Hij stelt al deze zaken aan de kaak in twee brochures: ‘De Haagsche Ruzie’ en ‘De Visite te Utrecht en Hilversum’ (periode 1930/32).

Voorthuis’s naam wordt ook genoemd in de brochure ‘De Haagse Ruzie’. Voorthuis zou ‘bijzonder goed vooruitgekomen zijn als schoonzoon van Wintzen.’ Holwerda volgt Voorthuis in 1930 op als penningmeester ( Notulen Hoofdbestuur ongedateerd, maar 1930). Voorthuis en Holwerda zijn de eerste Nederlanders (sinds 1919) die inzage krijgen in de (Duitse) boekhouding. Holwerda is leeftijd en studiegenoot van Voorthuis. Hij ontdekt in de boekhouding dat Voorthuis boven zijn loon als penningmeester (dat gelijk is aan het loon van Holwerda) nog 25 gulden per kwartaal extra ontvangen heeft. Hij voelt zich benadeeld en wil deze extra beloning ook ontvangen.

Wanneer Wintzen in augustus 1932 terug is uit Nederlands Indië  neemt hij het bij aankomst voor Voorthuis op. Want de salarissen van penningmeesters is een aangelegenheid van West-Duitse Unie. Voorthuis is slechts 1 jaar penningmeester geweest. Hij heeft inderdaad gedurende die tijd 25 gulden per kwartaal extra ontvangen. Dit was  bedoeld als eenmalige beloning voor het maken van overuren. (J. Wintzen, Rondschrijven Strijd en Overwinning pp. 92, 93). Het tegenargument komt van kandidaat predikant Jan Lankhorst. Hij schrijft in een brochure ‘Predikanten moeten van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat werken zonder overuren betaald te krijgen’.

Drie jaar later verlaten Holwerda en Ringelberg samen met 100 leden – voornamelijk uit Oost Nederland – de kerk. Na 1902 de grootste afscheiding. De twee hoofdbezwaren zijn: ‘Het militaire vraagstuk’ en de Duitse bestuursmentaliteit. Met het eerste wordt de Europese verklaring van Gland (Zwitserland) uit 1923 bedoeld. Hierin wordt het weigeren van militaire dienst op grond van gewetensbezwaren niet als het officiële standpunt van de kerk voorgesteld.

De opkomst van het nazisme in Duitsland speelt op de achtergrond ook mee. Het betreft vooral de toenemende verduitsing van het Nederlandse Veld. Voorthuis kan er zelfs in 1958 niet genuanceerd over berichten. Hij beschrijft de afval van 1933 als ‘een campagne, voor een groot deel geboren uit persoonlijke, zelfzuchtige motieven’ (Adventbode 1 april 1958, p.1).

1931.

Voorthuis wordt plotseling ernstig ziek. Een röntgenfoto toont aan dat een long is aangetast als gevolg van tuberculose). Eén van de dieptepunten in zijn leven. Hij is twee jaar lang uit de roulatie en moet uiteindelijk een long missen (Rondschrijven Hoofdbestuur 16 juni, 1931).  

Wintzen roept op tot dubbele bezuiniging. De Divisie ontvangt het eerste half jaar 100.000,- Mark minder aan inkomsten Er is niet genoeg geld in kas om alle lonen uit te betalen De salarissen van Wintzen en Eelsing, de zwager van Wintzen die ziek is, drukken op de begroting (Notulen Hoofdbestuur, 11 sept. 1932).

1932.

Er zijn verkiezingen tijdens de jaarconferentie te Rotterdam. Wintzen is nog onderweg vanuit Nederlands-Indië naar Nederland. Voorthuis wordt ondanks zijn ziekte genoemd als lid van het benoemingscomité, samen met Henry Franz Schuberth, toe voorzitter van de Centraal Europese Divisie en H. Fenner voorzitter van de West Duitse Unie plus vier lekenbroeders. Het benoemingscomité stelt Wintzen voor als de nieuwe voorzitter van het Nederlandse Veld (i.p.v. Wilhelm John). Het voorstel wordt aangenomen. John blijft nog wel lid van het hoofdbestuur. Voorthuis’s naam van komt echter niet voor in de lijst van aangestelde werkers (Adventbode, 7-10 aug. 1932, pp. 1-7). Pas in 1933 is Voorthuis weer terug.

1933.

Het februari nummer van het gemeenteblad de Adventbode wordt volgeschreven door Wintzen met aan het slot een artikel door Voorthuis (nog steeds vanaf zijn ziekbed). De artikelen bevatten (in bedekte termen) waarschuwingen tegen de afvalbeweging o.l.v. Kramer, Holwerda en Ringelberg. Deze artikelen hebben tot doel de schade zoveel mogelijk te beperken.

Een artikel van Wintzen gaat over het uittreden van Conradi. Zijn overgang naar de Zevende-dags Baptisten is voor hem een raadsel. Hij hoopt dat Conradi nog tot andere gedachten komt (Adventbode 1 sept. 1933, pp. 11-16) Hij heeft 4 uur met hem gesproken (Adventbode 1 mei 1933, p. 12). Conradi bezoekt ook Voorthuis op zijn ziekbed. Dit maakt op Voorthuis een grote indruk. Hij schrijft later: ‘Ik heb Conradi persoonlijk gekend en hem menigmaal ontmoet…Ik herinner mij zijn bezoek nog zeer goed. Hij zat ruim 3 uur aan mijn bed en vertelde mij waarom hij geen lid meer was…Dat was mijn laatste ontmoeting met deze grote man…die om verschillende redenen – waaronder strikt persoonlijke – de gemeente verliet’ (Adventbode, dec. 1974, p. 4).

Voorthuis wordt nu benoemd tot mederedacteur van de tijdschriften: ‘Teekenen des Tijds’ en ‘De Adventbode’

1935.

Voorthuis wordt ook benoemd tot redacteur van ‘De Zendingsvriend.’ De overheid wenst een duidelijke scheiding  tussen de beroeps- en de belangenloze colportage. ‘De zendingsvriend’ is bedoeld voor verkoop aan de deur door vrijwilligers.

1937.

Wilhelm John gaat weer terug naar Duitsland. Wintzen vraagt de centraal Europese Divisie om een plaatsvervanger. Hij spreekt zijn voorkeur uit voor Friedrich Bäcker. Hij moet de Duitse positie in het Nederlandse veld versterken. Eigenlijk fungeert hij als plaatsvervanger van Wintzen tijdens zijn afwezigheid en ziekte.

Bäcker is zendeling in Turkije. Hij is teruggekeerd vanwege de gezondheidstoestand van zijn vrouw. Hij beschikt over internationale contacten. Hij heeft zendingservaring en staat bekend als een bekwaam leider. Hij is vooral goed in administratie en begaan met het jeugdwerk. Hij wekt belangstelling op voor de zending onder de jeugd. Hij correspondeert tijdens de oorlog met Duitse, Nederlandse en Amerikaanse zendelingen in Nederlands Indië. En is bekwaam in het schrijven van brieven in het Engelse en het Frans Ook is hij als leider meer toegankelijk. Tegelijkertijd is hij evenals Voorthuis een trouwe uitvoerder van de plannen van Wintzen.

Bäcker wordt i.p.v. Wintzen in 1940 benoemd tot waarnemend voorzitter van de Zuid – Nederlandse Conferentie. Als Leijder Havenstroom als nieuwe penningmeester door ziekte in 1939 wordt uitgeschakeld, neemt Bäcker de boekhouding over. Vanaf 1941 tot zijn oproep voor militaire dienst in 1944 is Bäcker penningmeester geweest van de Nederlandse Unie. Zijn taak wordt daarna overgenomen door Karel Beijer.

Bäcker rechtvaardigt in 1942 de Duitse inval in Rusland met het argument: ‘Het schept nieuwe kansen voor de prediking van de boodschap’. Daar wordt door sommige Nederlandse adventisten met verontwaardiging op gereageerd

1937 (november)

Een vergadering vindt plaats van het hoofdbestuur. Het belangrijkste onderwerp van de bespreking is: ‘De reorganisatieplannen van de Generale Conferentie in de Verenigde Staten m.b.t. de Centraal Europese Divisie. Het is hard nodig vanwege de algemene politiek situatie. Voorgesteld wordt om de Divisie op te splitsen in de secties A en B. Sectie A bevat alleen Duitsland met Berlijn als hoofdzetel. Sectie B betreft Nederland. Voorgesteld wordt om het Nederlandse Veld direct onder het beheer van de Generale Conferentie in de VS te stellen. De vraag is wat wil het hoofdbestuur? Het hoofdbestuur kiest in meerderheid voor sectie B. Dit betekent dus een loskoppeling van de Centraal Europese Divisie en Duitsland.

Wintzen stelt voor dat het Nederlandse Veld nu een uniestatus moet krijgen, met twee conferenties. Op die manier kan stemrecht verkregen worden bij de Generale Conferentie in de VS. Maar…de eindbeslissing valt in Berlijn (Notulen Hoofdbestuur 28 november 1937).

De leiders in Berlijn willen echter dat het Nederlandse Veld bij de Centraal Europese Divisie blijft. Maar dan wel met uniestatus. Het is een lang gekoesterde wens. (Notulen Hoofdbestuur 29/30 jan. 1938). Tijdens een vergadering van het hoofdbestuur van 6 maart worden de details uitgewerkt. Wintzen wordt voorgesteld als voorzitter van de Nederlandse Unie plus de Zuid-Nederlandse Conferentie met Voorthuis als secretaris en de Nederlander Leijder Havenstroom als penningmeester van de Nederlandse Unie. Eelsing wordt voorgesteld als voorzitter van de Noord-Nederlandse Conferentie met Piet Voorhuis als secretaris  (Notulen Hoofdbestuur 6 maart, 1938 punt. 2).  Helaas raakt Havenstroom begin sept. 1939 plotseling verlamd als gevolg van een hersentumor. Bäcker neemt zijn taak over.

Wintzen gaat als afgevaardigde naar de Generale Conferentiezittingen te Battle Creek (Michigan). Hij logeert in het Kellog sanatorium en krijgt tijdens de zittingen een hartaanval. Volgens Bäcker niet de eerste keer. Hij laat zich in het sanatorium grondig onderzoeken en keert voortijdig naar Nederland terug. Hij moet op doctorsadvies rust houden. Hij verblijft daartoe in het najaar van 1939 enkele maanden in het Duitse kuuroord Bad Nauheim. Hij laat daar om de 5 weken water aftappen om de druk op het hart te. Bäcker en Voorthuis nemen steeds meer taken van Wintzen over. Voorthuis begint zijn carrière op unieniveau als secretaris vanaf 1938 tot 1947.

Voorthuis schrijft een brief naar Bäcker over de Dörschlergroep. De Duitser E. Dörschler is leider van een splintergroep van de Reformatiebeweging. Hij is in 1919 naar Nederland gekomen en heeft een eigen kerkelijke organisatie opgericht. Hij bezit huizen en kerkgebouwen. Zijn vermogen wordt geschat op 250.000,- gulden. Dörschler is onlangs overleden. De organisatie dreigt uiteen te vallen. Twintig leden spannen een proces aan tegen Dörschler’s familie. Het gaat de verdeling van de erfenis. Er wordt in krantenberichten geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen de Reformatiebeweging en het officiële kerkgenootschap van de Zevendedag adventisten.  Wintzen stuurt daarop een persbericht naar de redacties van negen dagbladen. Daarin wordt Dörschler een ‘geestelijk dictator’ genoemd die plagiaat pleegt en onze goede naam schade toebrengt. Vooral zijn colportagepraktijken worden genoemd. Dörschler  beschikt namelijk over een goedlopend colportagebedrijf. Een hele lijst adventistische boeken wordt aan de deur aangeboden. Waaronder ook boeken van Ellen White (Volksblad, 14 juni 1940; Voorwaarts (dagblad), 27 april 1939).

Voorthuis schrijft op 2 maart aan Bäcker over een brief uit Engeland. ‘Kerkleiders in Engeland kunnen of willen niet begrijpen wat Dörschler gedaan heeft. Ik hoorde dat men daar (m.b.t. de Reformatiebeweging) veel tolereert’. Voorthuis wil echter duidelijk maken dat ‘wij hier zoiets niet goedkeuren’. Bäcker moet nu een brief in het Engels opstellen. Daarin moet duidelijk tot uitdrukking komen ‘wat wij bedoelen’, aldus Voorthuis. In de Engelse kringen van de Adventkerk schijnt meer begrip te zijn voor de Reformatiebeweging.

Wintzen laat eind 1939 Eelsing (als zijn eventuele opvolger) drie maanden bijscholen op het adventistische seminarie te Washington. Wintzen is dan 65 jaar oud, dus tijd om met pensioen te gaan.

Eelsing is op 3 sept. weer terug. Net op tijd voor een vergadering van het uniebestuur. Eelsing brengt verslag uit. Hij heeft in de VS met een klein comité van de Generale Conferentie gesproken. Eelsing kiest nu samen met het uniebestuur voor aansluiting bij de Generale Conferentie en een tijdelijke loskoppeling van de Centraal Europese Divisie. Want als het Nederlandse Veld bij de Centraal Europese Divisie blijft, zullen de leden in geval van oorlog de kerk verlaten of overstappen naar de Reformatiebeweging. Dit is al eerder gebeurd tijdens en na de Eerste Wereldoorlog. Daarom kan de Nederlandse Unie nu beter direct onder de Generale Conferentie staan als neutrale instantie. Want onze leden zijn kritisch en westers georiënteerd.

Deze beslissing wordt door Voorthuis per brief aan de Centraal Europese Divisie meegedeeld. Alleen het boekenhuis zou als filiaal met de Centraal Europese Divisie verbonden blijven. De Divisie reageert echter afwijzend. Voorzitter A. Minck, vindt de beslissing voorbarig. Alles moet blijven zoals het nu is. Wintzen wordt aangemoedigd om op zijn post te blijven als voorzitter. Daar heeft hij ook tot eind 1943 gehoor aan gegeven. Minck belooft spoedig Nederland te bezoeken zodra hij een visum krijgt.

Wintzen schrijft nu een brief naar de voorzitter van de Generale Conferentie in de VS. Ondanks Minck’s afwijzing, wil de Nederlandse Unie toch losgekoppeld worden van de Centraal Europese Divisie. Minck kondigt verschillende keren zijn komst naar Nederland aan, maar krijgt geen visum.

 

De bezetting (1940-45).

1940.

De eerste vergadering van het uniebestuur na de bezetting vindt plaats. De vergadering wordt te Utrecht gehouden. Voorthuis is aanwezig als bestuurslid. Hij vertegenwoordigt het afdelingsbestuur ‘colportage’. Colportageleider J. van Iterson is ook aanwezig. Het boekenhuis is als inkomstenbron van groot belang (naast de tienden). En moet daarom zo lang mogelijk openblijven. Voorthuis moet daarin het voortouw nemen. De bezetting vraagt om aanpassingen. De centrale uitgeverij van de Adventkerk te Hamburg is nu in privé handen. Dit met het oog op beslaglegging.

De beroepscolportage moet nu efficiënter worden. De verplichte colportage voor predikanten wordt aangescherpt. Het betreft vooral de Grote Zendingsweek in Maart en de Oogstdank actie in September. Elke predikant neemt minimaal 350 bladen voor zijn rekening. Tijdens de zomer werkt de predikant ook met boeken. Zoals bijv. ‘het apenboekje’ (over schepping/evolutie), ‘Het Boek der boeken’ en ‘Matth 24’ (profetische uitleg). Maar ook ‘Vanwaar? Waartoe? Waarheen?’ door Voorthuis zelf geschreven. Van dat laatste boek is de eerste uitgave van 8000 exemplaren al in 1941uitverkocht. De geleverde boeken en bladen worden verrekend met het salaris. Kandidaat predikanten krijgen een jaar lang hun loon in boeken en bladen uitbetaald. Elke week moeten zij minimaal voor een bepaald bedrag verkopen. Als kandidaat predikanten (soms ook predikanten) weinig succes hebben, wordt hun loon gehalveerd. Zij worden gedeeltelijk als beroeps colporteurs ingezet. Op die manier kunnen de loonkosten tijdens de bezetting in de hand gehouden worden.

1940 (oktober).

Een vergadering van het verenigingsbestuur ‘Weldadigheid, Jeugd en Gezondheidszorg’, wordt in Den Haag gehouden. Dit is eind jaren 30, een belangrijke afdeling binnen de Centraal Europese Divisie en de Nederlandse Unie. Men wil zich profileren als maatschappelijk betrokken. Tegelijkertijd wil men zich positief onderscheiden van de Reformatiebeweging. Eelsing is gekozen als waarnemend voorzitter en Voorthuis als waarnemend secretaris (Notulen Weldadigheid, Jeugd en Gezondheidszorg  6 okt 1940).

Een vergadering van het uniebestuur vindt plaats in den Haag. Het naziregime wil, dat alle verenigingen en bonden bij de overheid gemeld worden en zich laten inschrijven. Het regime wil op die manier controle uitoefenen. De Adventkerk in Duitsland geeft advies om de uitdrukkingen ‘vereniging’ en ‘bond’ te vermijden. Elke adventgemeente is autonoom en organiseert jeugd, dorcas en zanggroepen. Deelnemerslijsten worden niet bijgehouden. Vrijwillige gaven worden in een busje gestopt. Op die manier hoeft niemand zich te laten inschrijven (Notulen Uniebestuur, 6 okt. 1940 punt 4)

Eelsing vervangt Wintzen als voorzitter van de Nederlandse Unie, waar nodig en Bäcker vervangt Wintzen als voorzitter van de afdeling Zuid (waar nodig). Voorthuis wordt tot waarnemend secretaris van de Nederlandse Unie benoemd i.p.v. zijn oudere broer Piet. Dit met het oog op contacten met overheidsinstanties (Notulen Uniebestuur, 6 okt. 1940 punt 10).

Voorthuis zou zo spoedig mogelijk ingezegend moeten worden (Notulen Uniebestuur, 6 okt. 1940 punt 11).

Wintzen stelt de doopvragen samen (Notulen Uniebestuur, 6 okt. 1940 punt 14). Het betreft elf vragen. Daarin komt de naam ‘Ellen White’ (EW) en het onderwerp ‘Geest der Profetie’ niet voor (Church Manual uitgave 1942).

Nederland wordt bezet. Wintzen weigert af te treden. Alleen leiders in Berlijn kunnen daarover beslissen. Wintzen wil de touwtjes in handen houden. Hij beseft dat niet iedereen daar blij over is. Maar juist nu is zijn bijdrage van groot belang. De bezetting vraagt om creatieve oplossingen .

Het uniebestuur moet gereorganiseerd worden, aldus Wintzen. Voorthuis en Bäcker worden naar voren geschoven als zijn rechter en linkerhand. Eelsing moet op zijn beurt wachten. Hij blijft als voorzitter van de Noord-Nederlandse Conferentie in Apeldoorn wonen. Eelsing mag eventueel Wintzen in geval van nood als waarnemend voorzitter van de Nederlandse Unie vervangen.

Voorthuis zou zo spoedig mogelijk ingezegend moeten worden. Hij kan dan als waarnemend secretaris aan het uniebestuur worden toegevoegd. Hij zou de status van ‘adviserend lid’ kunnen krijgen (gelijk vroeger bij Eelsing). ‘Voorthuis is op de hoogte van al mijn plannen’, aldus Wintzen. In geval Wintzen ziek is, spreekt Voorthuis in zijn plaats. Bäcker kan tot waarnemend voorzitter van de Zuid-Nederlandse Conferentie benoemd worden. Hij handelt correspondentie af en verzorgt de boekhouding. Op die manier houdt Wintzen het roer stevig in handen.

Eelsing overweegt echter een regimewissel. En laat dit hier en daar doorschemeren. Maar dit is volgens Wintzen uitgesloten.  De Centraal Europese Divisie staat het niet toe. Bovendien heeft het werk in Nederland de Centraal Europese Divisie in de nabije toekomst hard nodig. Niemand weet hoe de oorlog afloopt.

Eelsing verwijst naar eerdere afspraken zoals aansluiting bij de Generale Conferentie en het recht van de Nederlandse Unie om zelf beslissingen te nemen in geval van oorlog. Wintzen wil daar nu niets van weten. Alleen hij is instaat om tijdens de bezetting de kerk op de been te houden. En dan komt Eelsing met een tussenoplossing. Hij wil naar den Haag verhuizen en de plaats van Bäcker innemen. Maar Wintzen acht de tijd nog niet rijp. Hij verwacht dat Eelsing zijn opvolger wordt, maar weet dat nog niet zeker. Want Eelsing is sterker als evangelist maar zwakker als leider (Brief van Wintzen namens Uniebestuur 26 dec.1940). Voorthuis profileert zich steeds meer als de vertrouweling van Wintzen. Hij is als ‘eigenaar’ van het boekenhuis onmisbaar (idem).

Wintzen is nu 66 jaar oud en moet met pensioen. ‘Er kunnen dan twee nieuwe arbeiders aangesteld worden’, aldus Eelsing. Wintzen stelt dat het ook anders kan. Er kan meer gecolporteerd worden door de predikanten. We gaan in de toekomst meer volgens het Duitse model werken. Alleen goede beroeps colporteurs worden in dienst genomen van het boekenhuis (idem).

Voorthuis wordt nu benoemd tot waarnemend secretaris van de Nederlandse Unie en adviserend lid van het uniebestuur (Notulen Uniebestuur, 18 jan. 1941, punt 1).

Het uniebestuur vergadert bij Wintzen thuis. Besloten wordt dat het kerkblad de Adventbode onder redactie komt van Wintzen zelf, met Eelsing en Bäcker als vaste medewerkers. De evangelisatiebladen Teekenen des Tijds en de Zendingsvriend komen nu onder de verantwoording van Voorthuis met Wintzen als vaste medewerker. Terwijl Bäcker redacteur wordt van het jeugdblad ‘De Jonge Advent Heraut’. (Notulen Uniebestuur, 27 april, 1941 punt 8).  

Voorthuis wordt door Wintzen naar Hamburg en Berlijn gestuurd. Hij komt terug met de boodschap dat de uitgeverij daar op last van de overheid is stilgelegd. Op 15 juni wordt in Duitsland het laatste gemeenteblad (Der Adventbote) uitgegeven. Wintzen is vastbesloten om de Nederlandse  uitgeverij zo lang mogelijk open te houden. Want bij sluiting moeten de beroeps colporteurs financieel ondersteund worden. Er komt dan ook geen sprake meer zijn van loonsverhoging. Wintzen blijft optimistisch. Er is nog voor twee jaar papier in voorraad. Er kunnen nog steeds boeken en bladen gedrukt en verkocht worden. Zolang het nog kan moeten alle mogelijkheden benut worden (Brief Uniebestuur, 11 juni, 1941). De vraag is, tot welke prijs?

Iterson is colportageleider. Hij schrijft aan het Uniebestuur: ‘Hoe dikwijls heb ik tot laat in de nacht gevochten om de gezonde en ongezonde kritiek die op de leiding werd uitgeoefend te beantwoorden (Brief Uniebestuur, hemelvaartsdag 1941). Iterson wil bovendien op de loonlijst staan en huurtoeslag ontvangen. Dit wordt door Wintzen geweigerd. Maar Iterson wordt wel altijd om advies gevraagd. (Brief Uniebestuur, 9 maart, 1941). 

Tijdens een predikantenvergadering wordt geklaagd over het opleggen van verkoopsquota aan predikanten door het uniebestuur. Besloten wordt dat predikanten met meer dan 100 leden en 50 bijbelstudieadressen geen quotum meer opgelegd krijgen. Er zal nu geen onderscheid meer gemaakt worden tussen oudere en jongere predikanten.

Wintzen heeft gezondheidsproblemen. Hij weet niet of hij bij alle zittingen van het uniebestuur altijd aanwezig kan zijn. In geval van afwezigheid zal Eelsing de leiding op zich nemen. Voorthuis en Bäcker zullen dan voldoende ingelicht zijn over de zienswijze van Wintzen (Brief Uniebestuur 23 juli, 1941).

Bäcker wordt eenstemmig benoemd tot penningmeester van de Unie. Wintzen wil de predikanten voorbereiden op onpopulaire maatregelen. Zij zullen berichten ontvangen die een beetje eigenaardig overkomen. Wintzen kan daar nu niets over loslaten.

Voorthuis en Wintzen schrijven elk een brief aan het uniebestuur. Voorthuis gaat de  contacten met de autoriteiten behartigen. Het betreft de kerkelijke uitgeverij. Want de bezetter wenst een opsplitsing in twee stichtingen: ‘Een commerciële en een niet-commerciële’. Dit heeft volgens Wintzen consequenties. Er moeten namen genoemd worden voor de twee stichtingsbesturen. Er moet ook ondertekend worden. Wintzen en Voorthuis zijn van mening: ‘Wij hebben geen andere keus!’ Voorthuis tekent voor beide stichtingen, met Bäcker en Eelsing als medeondertekenaars. Bäcker voor de commerciële en Eelsing voor de niet-commerciële stichting (Brief Uniebestuur, 21 dec. 1941).

1942.

In 1942 volgen de eerste maatregelen. De uitgeverij moet op last van de overheid als zelfstandig lichaam geregistreerd worden. Voorthuis moet daarvoor zorgen. Registratie betekent echter ‘heulen met de bezetter’ en het accepteren van controle. Dit zorgt voor de nodige problemen.

De stichting ‘Boekenhuis der Adventzending’ wordt ingeschreven als een zelfstandig lichaam met rechtspersoonlijkheid. Dit betekent dat het een niet-kerkelijke uitgeverij wordt met een nieuwe eigenaar. Uit de nieuwe stichtingsbrief blijkt dat alleen Voorthuis de stichting vertegenwoordigd, zowel in als buiten rechten. De naam ‘Adventzending’ verdwijnt en wordt vervangen door ‘Veritas’. (Statutenwijziging I-442/443, april 1942). ( Statutenwijzinging deel 2) Na de oorlog heeft het boekenhuis deze naam behouden.

Niet veel later blijkt dat alle beroepscolporteurs zich moeten laten inschrijven bij de ‘Kultuurkamer’ onder de afdeling ‘Letterengilde’. Het is een kwestie van inschrijven of ophouden. De uitgeverij moet nu een eigen naam hebben en gaat ‘Veritas’ heten. Voorthuis geeft advies aan de colporteurs hoe de inschrijfformulieren het beste ingevuld kunnen worden. Er zit een apart formulier bij met vragen over grootvader en grootmoeder. Die kan iedereen zelf invullen, aldus Voorthuis. De ‘Kultuurkamer’ wil namelijk weten of de grootouders ariër of niet ariër zijn (of waren).

Sommige colporteurs willen zich niet laten inschrijven. Lid zijn van de ‘Kultuurkamer staat ongeveer gelijk aan een lidmaatschap van de NSB. Dit wordt door Voorthuis in een vertrouwelijk schrijven bestreden. Het is volgens hem een kwestie van aanmelden of ophouden.

Volgens sommigen wil Voorthuis per se de uitgeverij openhouden uit persoonlijk belang. Hij wil zijn functie als directeur behouden. Ook dit zijn, volgens Voorthuis, ‘onjuiste gissingen’. Voorthuis heeft een opleiding als predikant. Hij kan altijd in deze functie worden ingezet. Bovendien heeft Voorthuis zich nooit met politiek beziggehouden.

Anderen laten weten dat ‘geen enkel ander kerkgenootschap zich bij de Kultuurkamer heeft aangesloten. Zij vragen zich af: ‘Waarom onze colporteurs wel?’ De Adventkerk is, volgens Voorthuis, niet aangesloten bij de Kultuurkamer. Uitgeverij ‘Veritas’ is nu een gewone niet-kerkelijke uitgeverij geworden. En elk uitgeversbedrijf is verplicht om zich bij de Kultuurkamer aan te melden. Maar iedere colporteur is vrij om niet aangesloten te zijn of als lid van de Kultuurkamer te bedanken. Het gevolg is dan wel: ‘Geen werk!’  

Excursus: De Kultuurkamer

In 1933 werd in Duitsland de ‘Reichskulturkammer’ opgericht. Goebbels (minister van cultuur en propaganda) komt naar Nederland. Hij kondigt in jan. 1941 zelf het ‘Kulturkammergezetz’ af (Lou de Jong, Nederland in de tweede wereldoorlog, deel 5, 1e helft, 1974, pp. 256/257). De Kultuurkamer moet onze geboren vijanden (van de cultuur) uitschakelen. Het betreft dus een politieke maatregel. De Kultuurkamer is ook bevoegd om straffen op te leggen.

Artikel 10 verbiedt Joden of  ‘half’ Joden, om lid te zijn. Want de Jood is een groot gevaar voor de Germaanse cultuur. Elke joodse invloed moet vermeden worden. Daar wordt extra streng op gelet. Een bloed zuiverheidsysteem wordt in werking gesteld. Iedereen die lid wil worden van de ‘Kultuurkamer’ moet een ariërverklaring tekenen. Daarin worden o.m. vragen gesteld over de grootouders. In geval beiden Jood zijn is toetreding praktisch uitgesloten. Ariërs die met een volbloed Jood(se) getrouwd zijn behoren ook daartoe. Zij vallen in de categorie ‘half’ Joden. Voor de ‘kwart’ Joden is er uitzondering mogelijk. Dat zijn de personen met een joodse grootouder. Ariërs die met een ‘half’ Jood(se) getrouwd zijn, worden als ‘kwart’ Joden geclassificeerd (Lou de Jong, Nederland in de tweede wereldoorlog, deel 5, 1e helft, pp. 256/257).   

Het Duitse woord ‘Kulturkammer,’ wordt eerst vertaald als Cultuurkamer. In die tijd wordt het Nederlandse woord ‘Cultuur’ nog uitsluitend met een ‘C’ geschreven. Plotseling wordt de ‘C’ veranderd in een ‘K.’ ‘Wie aan de ‘C’ vasthoudt distantieert zich bewust van de Duitse cultuur;’ aldus de bezetter. De schrijfwijze onderstreepte dus het on-Nederlandse karakter. De Kultuurkamer wordt dan ook vanaf het begin opgevat als een Duitse maatregel. Zij die lid worden geven blijk van een verkeerde gezindheid. De Kultuurkamer heeft het leven van veel goede Nederlanders moeilijk gemaakt.

De Kultuurkamer bestaat uit 20 leden. Ambtenaren worden in de eerste plaats uit de NSB gerekruteerd. Na de bevrijding is het belang en gevaar van de Kultuurkamer door sommigen gebagatelliseerd. Dit berust op een grote vergissing. De Kultuurkamer moest de nazificatie van Nederland tot stand brengen. Zonder verzet zou de schade groot geweest zijn.

De zes grote Protestantse kerken in Nederland verzetten zich. Zij uiten ‘ernstige bedenkingen tegen de ariërverklaring’. Zij doen een verzoek om intrekking. Dit verzoek wordt op 25 okt. ingediend bij Seyss Inquart in Den Haag (de hoogste Duitse bestuurder). De ariërverklaring is dan net een paar weken eerder ingevoerd. In april 1942 wordt het ‘Protest van de Kerken’ officieel (in de kerken) bekendgemaakt. Daarin staat o.m. dat de ‘wereld- en levensbeschouwing van het nazisme wordt afgewezen. Het is niet in overeenstemming met het evangelie’. De Nederlandse Protestantse Kerken kiezen bewust voor het standpunt van de ‘Bekennende Kirche’ in Duitsland (Lou de Jong, Nederland in de tweede wereldoorlog, deel 4, 2e hlft. 1972, pp. 717-722).

Seyss Inquart ziet het nationaal socialisme als een alternatief voor het christelijk geloof. Hij gebruikt daarvoor de term ‘religieus nationaal socialisme’. Een soort religieuze overtuiging met een eigen eredienst, doortrokken van Germaans natuurheidendom.

Lidmaatschap van de Kultuurkamer wordt over het algemeen opgevat als ‘heulen met de vijand.’ Uitgevers en boekhandelaren richten als antwoord een eigen antiorganisatie op. Tot serieuze strafmaatregelen is het nooit gekomen. Uitgeverijen waren ondergebracht in de sector van de Letteren. Deze sector heeft zich het minst door angst laten leiden. Daar is het verzet tegen de Kultuurkamer het duidelijkst volgehouden (Lou de Jong, Nederland in de tweede wereldoorlog, deel 5, 2e helft. 1974, pp. 749/750).

De instelling van de Kultuurkamer maakt het de boekverkopers (waaronder ook colporteurs) extra moeilijk. Geen lid worden van de Kultuurkamer en toch langs de deur gaan, blijkt onmogelijk. Zij staan voor de moeilijke keus: ‘Inschrijven of ophouden’.

In 1940 beleeft de verkoop van boeken en tijdschriften gouden tijden. Het jaar 1941 brengt eveneens zeer bevredigende omzetten, die in de jaren 1942/43 nog overtroffen worden. Het Nederlandse volk heeft tijdens de oorlogsjaren veel afleiding en vertroosting in het lezen gevonden.

Het nazi-regime verlangt nu dat alle verenigingen en bonden bij de overheid gemeld worden. Op die manier kan controle uitgeoefend worden. De Adventkerk adviseert om de uitdrukkingen ‘vereniging’ en ‘bond’ te vermijden. Elke adventgemeente is autonoom en organiseert de eigen jeugd- dorcas- en zanggroep. Deelnemerslijsten worden niet bijgehouden. Vrijwillige gaven worden in een busje verzameld. Elke adventgemeente heeft ook een eigen evangelisatiekring. Deze organiseert de vrijwillige geschriftenevangelisatie. De niet-commerciële stichting van boekenhuis Veritas voorziet de evangelisatiekring van bladen en tijdschriften

De niet-commerciële tak van boekenhuis ‘Veritas’  valt eveneens onder Duits gezag. De commissaris voor niet-commerciële stichtingen zwaait daar de scepter. Voorthuis moet als privé-eigenaar tekenen. De nieuwe stichting voorziet de plaatselijke evangelisatiekring van tijdschriften om te verkopen (van deur tot deur). Inschrijven is voor leden van de kring overbodig. Er mag echter niet gecollecteerd of om gaven gevraagd worden.

De Duitsers benoemen een aparte commissaris voor ‘niet-commerciële verenigingen en stichtingen’. Hij is belast met het opruimen van instituten die de nieuwe orde niet willen verstaan. Hij heeft de bevoegdheid om verenigingen en stichtingen te ontbinden. Hij mag aanwijzingen geven voor het beheer van gelden of vermogen. Hij kan bovendien justitiële maatregelen treffen en verenigingen en stichtingen aan banden leggen.

In de periode juni 1941 tot juli 1942 worden honderden kleinere kerkbladen verboden. Slechts één artikel dat de Duitsers niet bevalt is voldoende om een kerkbode of een predikbeurtenblad te verbieden.

 

1942 (mei).

In 1942 is de leiderschapscrisis nog niet voorbij. Er zijn in november verkiezingen. Ditmaal voor het eerst voor de benoeming van uniefunctionarissen. In mei komt Wintzen met een uitgewerkt plan. Hij wil hiermee het initiatief behouden. Volgens dit plan zouden de twee conferenties moeten worden opgeheven. Maar de uniestatus moet blijven met het oog op de toekomst. Eelsing zou als tweede voorzitter van de Nederlandse Unie gekozen kunnen worden met Wintzen als eerste voorzitter. Verder zou Bäcker voor het zuidelijk deel van Nederland blijven zorgen. Eelsing zou zich mettertijd in Utrecht kunnen vestigen en het noordelijk deel voor zijn rekening nemen. Voorlopig blijft hij echter in Apeldoorn wonen. Hij hoeft dus nog niet naar Den Haag te verhuizen, aldus Wintzen.

Dit plan valt niet goed bij Eelsing en wordt in juli bijgesteld. Er worden nu twee mogelijkheden geopperd: ‘Eerste mogelijkheid,. Eelsing wordt voorzitter van de Nederlandse Unie ad interim voor een jaar. Tweede mogelijkheid: ‘Eelsing wordt de eerste voorzitter van de Nederlandse Unie, terwijl Wintzen tweede wordt, in de zin van adviseur. Het eerste voorstel heeft echter de voorkeur van het uniebestuur. Beide voorstellen worden per brief ter kennis gesteld aan Minck, voorzitter van de Centraal Europese Divisie, die niet reageert.

Op 8 september wordt het definitieve voorstel per rondschrijven bekendgemaakt: Eelsing kandideert nu als voorzitter van de Nederlandse unie, ad interim voor een jaar. Den Haag  blijft het financiële centrum. De overige administratie gaat naar Apeldoorn. Voorgesteld wordt om de conferenties op te heffen. Maar de uniestatus blijft.

Wintzen is nu bereid om het leiderschap over te dragen. Hij vraagt Eelsing per briefkaart wat te doen met de twee overgebleven Duitse werkers, Bäcker en Wilhelm Berthold. De afgevaardigden moeten, volgens Wintzen, maar beslissen. Alleen bij een ruime meerderheid van stemmen mogen ze aanblijven. Als het anders uitvalt, moet de centraal Europese Divisie ingelicht worden.

Eelsing kondigt op 8 november 1942 een vergadering van afgevaardigden aan. Plaats van samenkomst: ‘Doopsgezinde Kerk aan de Oude Gracht te Utrecht’. Er wordt een nieuw uniebestuur gekozen. Resultaat: Eelsing wordt gekozen als ad-interim voorzitter van de Nederlandse Unie met Voorthuis als secretaris. Bäcker blijft als penningmeester van de Nederlandse Unie en Berthold blijft als predikant in Nederland werkzaam. De afgevaardigden besluiten dat zij als Duitse werkers mogen blijven. Besloten wordt dat de conferenties worden opgeheven. De uniestatus blijft met het oog op toekomstige ontwikkelingen. Eelsing verhuist niet naar Den Haag. Hij blijft in Apeldoorn wonen (later Arnhem). Voor het eerst sinds 1919 wordt de Adventkerk in Nederland  weer bestuurd door een Nederlander. De supervisie blijft in handen van Wintzen en Bäcker. Dit blijkt ook uit de ‘ad interim’ status van Eelsing als voorzitter van de Nederlandse Unie.

1943.

In november komt de kwestie van het voorzitterschap nog een keer op de agenda. Het ‘ad interim’ jaar is voorbij. Divisievoorzitter Minck heeft nog steeds niets van zich laten horen. Wintzen maakt de zaak opnieuw aanhangig. Wintzen en het uniebestuur verschuiven de definitieve beslissing naar 31 december . Dit tot groot ongenoegen van Eelsing. Al eerder was namelijk afgesproken, dat zolang de oorlog duurt, de Nederlandse Unie als zelfstandig lichaam zou opereren (Notulen Uniebestuur, 12 sept. 1943, punt 5;). Wintzen gaat echter eind 1943, op 69 jarige leeftijd met pensioen. Hiermee is de leiderschapscrisis beëindigd. Eelsing blijft in functie en Bäcker blijft penningmeester, tot zijn oproep voor militaire dienst in 1944. De Nederlander Klaas Beijer neemt zijn taak geleidelijk van hem over.

Op last van de bezetter moet het Statenkwartier in Den Haag worden ontruimd. Dit met het oog op een mogelijk bombardement door de geallieerden. Boekenhuis Veritas verhuist. Er wordt gezocht naar een vervangende bedrijfsruimte. Maar ook naar een nieuwe woning. Voorthuis en zijn vrouw wonen namelijk op de bovenetage van het boekenhuis. De deadline is op 31 dec. Het lukt nog net op tijd een woning en een bedrijfspand te betrekken in het Bezuidenhout. Beiden bevinden zich 250 meter van elkaar in dezelfde straat.

1945.

Op 3 maart wordt i.p.v het Statenkwartier het Bezuidenhout getroffen. De tijdelijke woon- en bedrijfsruimten gaan in vlammen op. Het gebeurt op een zaterdagochtend. Voorthuis leidt de dienst in de adventgemeente Den Haag. Iemand vertelt hem dat het Bezuidenhout gebombardeerd is. Er wordt een bidstond gehouden. Bij aankomst blijkt dat de familie Voorthuis alles kwijt is.

Opleidingsschool voor predikanten. 

Het eerste naoorlogse uniecongres voor de benoeming van ambten vindt plaats in Den Haag van 21-25 aug. Eelsing en Voorthuis zijn herkozen. De een als voorzitter, de ander als secretaris van de Nederlandse Unie (in oprichting). Beijer is sinds 1944 de nieuwe penningmeester van de Nederlandse Unie. De beide conferenties opereren nog steeds niet als geheel zelfstandig. Beijer beheert de kassen. Eelsing is ook voorzitter van de Noord-Nederlandse Conferentie en Voorthuis is secretaris van de Zuid-Nederlandse Conferentie, terwijl Jan Lankhorst gekozen is als voorzitter van de Zuid-Nederlandse Conferentie.

Besluit nr. 8 betreft een verzoek aan de Generale Conferentie in de VS om een opleidingsschool voor predikanten ( Adventbode, Sept./November 1946, pp. 3-6).

Eelsing neemt daartoe het initiatief. Het is zijn hartenwens. Al eerder heeft hij zich voor een eigen school ingezet. Eelsing was eind jaren 20 ook de oprichter van de eerste opleidingsschool voor predikanten in Nederlands Indië.

In maart 1946 brengt de secretaris van de Generale Conferentie een bezoek aan Nederland. Een eigen school staat hoog op Eelsing’s verlanglijstje. De secretaris belooft de zaak voor te leggen. Eelsing reist daarna zelf naar de VS om zijn verzoek toe te lichten.

Lankhorst is de nieuwe voorzitter van de Zuid-Nederlandse Conferentie. Hij heeft verstand van ‘akkers en huizen’. Hij gaat op zoek naar een geschikt pand. Het landgoed Oud Zandbergen te Huis ter Heide (bij Zeist) staat te koop. Lankhorst weet Eelsing te overtuigen. Samen met Voorthuis voert Lankhorst de onderhandelingen. De beslissing valt op 5 mei 1947. De prijs is 325.000,00 gulden. De kerk en haar leden hebben kosten noch moeite gespaard. Een aanzienlijk gedeelte van dit bedrag blijft als schuld op het budget van de Nederlandse Unie drukken. Een enorme opgave voor een kleine kerk toen met ongeveer 2000 leden (Adventbode, Sept.-November 1946, p. 15).

Adventistische opleidingscentra voor predikanten in Duitsland en de VS staan model. Als basisprincipe geldt: ‘De harmonische ontwikkeling van hoofd hart en hand’. Dit principe is gebaseerd op de raadgevingen van Ellen White. In de VS is daarmee rond de eeuwwisseling uitvoerig geëxperimenteerd.

In de zomer van 1947 wordt Cor de Ruiter gevraagd als interim directeur. Het Herenhuis (hoofdgebouw), heeft oorlogsschade opgelopen en moet gerenoveerd worden. De Ruiter betrekt tijdelijk kamers in het kinderhuis ‘Zonheuvel’ te Bosch en Duin. Er wordt gezocht naar iemand met internationale ervaring. Uiteindelijk wordt Philip Schuil benoemd. Hij is een Engelsman van Nederlandse afkomst. Als typische academicus mist hij de pioniersmentaliteit die nodig is. De officiële opening vindt plaats op 28 jan.1947.

Inmiddels is Voorthuis tot voorzitter van de Nederlandse Unie benoemd. Zijn hart ligt echter bij het uitgevers- en radiowerk. Het voorzitterschap en het project Oud Zandbergen nemen nu al zijn tijd in beslag. Hij vraagt eind 1947 Karel Tilstra naar Nederland te komen om voorzitter van de Unie te worden in zijn plaats. Voorthuis wordt opnieuw secretaris van de Nederlandse Unie en directeur van Boekenhuis Veritas (Brief Uniebestuur, 1 dec. 1948).

Tilstra is Amerikaans staatsburger. Hij is getrouwd met een dochter van pionier Klingbeil. Tilstra beschikt als zendeling over internationale ervaring. In 1940 was hij zendingsdirecteur in Nederlands Indië. Hij is praktisch begaafd en is in Nederland geboren en getogen. Tilstra zegt toe, maar wil eerst nog een bijscholingscursus volgen in de VS. In sept.1949 komt hij naar Nederland. Het is zijn uitdrukkelijke wens om op Oud Zandbergen te wonen. Op zijn verzoek wordt het hoofdkantoor van de Nederlandse Unie verplaatst van den Haag naar Oud Zandbergen te Huis ter Heide. Tilstra is 3 jaar gebleven. Hij vertrekt daarna als zendeling naar Nieuw Guinea. Hij laat Oud Zandbergen, het zorgcentrum Vredenoord, en het instituut voor Schriftelijke Bijbelstudie als gevestigde instituten achter.

Oud Zandbergen moet een opleidingsschool voor predikanten worden. Neanderthal, de opleidingsschool in Duitsland staat model. Als vooropleiding wordt MULO gevraagd. Later 3 jaar HBS. De opleiding voor predikanten duurt 4 jaar. Tilstra en Schuil geven les. A.C.A.C. Schmutzler wordt aangetrokken als bijbelleraar. Als Schuil in 1953 vertrekt, volgt Schmutzler hem op als directeur. In 1959 neemt Nico Heijkoop (HN) het roer over. Met uitzondering van Schuil, beschikt geen van allen over een academische opleiding. Men doet wat men kan en probeert er het beste van te maken.

Het niveau van de 4 jarige theologische cursus is te laag. In 1952 komt de Noord- Europese Divisie met het plan om een hogere school in Engeland op te richten. De bestaande 4 jarige cursus op Oud Zandbergen wordt dan opgesplitst in een 2 jaar lagere (op Oud Zandbergen) en een 2 jaar hogere opleiding (op Newbold). De hogere opleiding sluit af met een Bachelor of Arts Met deze erkende graad, staat de weg open voor hoger theologisch onderwijs.

Voorthuis, Tilstra en andere leden van de schoolraad stemmen tegen. ‘De 4 jarige theologische cursus op Oud Zandbergen mag niet verminderd worden.’ Alleen Schuil onthoudt zich van stemming.. De 4 jarige opleiding op Oud Zandbergen is nog tot begin jaren 60 in bedrijf gebleven. Daarna gaat een stukje ‘nationale trots’ verloren. Een belangrijk deel van het naoorlogse predikantencorps heeft deze opleiding gevolgd. Pas in de jaren 70 wordt gestreefd naar hoger theologisch onderwijs.   


Familie Weidner.

1947.

Op 19 aug. overlijdt emeritus predikant en docent Weidner Eelsing Weidner te Gland, Zwitserland. Voorthuis schrijft daarover aan de Nederlander Joseph Wibbens, ex- voorzitter van het Nederlandse en Belgische Veld. Weidner is tevens zwager van Joseph Wibbens. Voorthuis heeft al eerder een overlijdensbericht geplaatst. Voorthuis zou het ‘onprettig vinden indien…ook maar de schijn verwekt werd, alsof wij een onjuiste berichtgeving wilden publiceren’ (VF, BRF, WJ, 15 okt. 1947). Toch is dat gebeurt. Voorthuis haalt zijn gegevens voornamelijk uit de alternatieve servicerecord, opgesteld door Wintzen. Daarin worden de werkzaamheden van Weidner als colporteur, vertaler, evangelist en predikant in de Nederlands Vlaamse Vereniging van 1899 tot 1910 ontkend (Adventbode, aug/sept. 1947, p.16). Weidner’s oorspronkelijke servicerecord (plus correspondentie) wordt genegeerd. Sinds 1939 een bron van ergernis.

In sept. 1939 komt Weidner naar Nederland. Hij woonde eerder in Parijs. Weidner is Nederlander (mogelijk) van joodse afkomst. Dat blijkt uit een brief aan Wintzen van 9 jan.1939. Daarin schrijft hij: ‘U weet dat ik een jood ben…’ Weidner is vanaf 1899 in dienst van de adventkerk. Eerst als colporteur; later als vertaler, evangelist en predikant in Nederland en België. Later als docent Latijn en Grieks op het adventistische seminarie Collonges in Frankrijk.

De vader van Weidner is rond 1900 predikant van de Nederlands Hervormde Kerk te Gent, in België. Weidner doorloopt het gymnasium te Doetinchem en bezit, volgens zijn zuster, de status van kandidaat predikant van de Ned. Herv. Kerk. Te Gent komt hij echter in aanraking met Zevendedag adventisten. Hij raakt geïnteresseerd. Studeert theologie op het adventistische seminaries  Friedensau in Duitsland en Watford in Engeland. Later ook aan de universiteit in Londen .Hij laat zich te Watford dopen. Geeft daar les in Grieks en Latijn en komt in 1899 in dienst van de Adventkerk als colporteur, vertaler, evangelist en predikant. Hij is in die tijd de best opgeleide predikant Nederland en België.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werkt Weidner als predikant te Brussel. Hij houdt daar een zwakke gezondheid aan over. In 1919 raakt hij betrokken bij een groot conflict met Klingbeil, toen voorzitter van het Belgische Veld. LuDe Werkerig Conradi, leider van de Adventkerk in Duitsland, probeert de vooroorlogse situatie te herstellen. Het Belgische Veld moet onderdeel blijven van het werk in Duitsland met Klingbeil als voorzitter. Dit wordt door de oppositie van Weidner voorkomen. Met als gevolg dat Klingbeil ‘oneervol wordt losgelaten’ en vertrekt naar den Haag. Het Belgische Veld wordt nu ondergebracht bij de nieuwe Zuid-Europese Divisie, met Bern, Zwitserland, als hoofdzetel. Dit tot groot ongenoegen van de Duitse leiding.

Weidner gaat in 1939 met vervroegd pensioen. Hij woont dan in Parijs maar wil terug naar Nederland. Wat uiteindelijk ook gebeurd. Wintzen, toen de Duitse voorzitter van de Nederlandse Unie doet daar moeilijk over. Omdat Nederland de thuisbasis van Weidner is, moet de Nederlandse Unie zijn pensioen betalen. Wintzen weigert, maar is uiteindelijk bereid slechts een gedeelte uit te betalen. De 30 dienstjaren van Weidner worden door Wintzen slechts gedeeltelijk erkend. Weidner en zijn vrouw vestigen zich uiteindelijk in Den Haag. De verhouding tussen Weidner en de half Duitse bestuurselite in Den Haag is allesbehalve hartelijk. Vooral tijdens de bezetting.

Weidner heeft 4 kinderen, 2 zonen en 2 dochters. De oudste dochter is actief in het ondergrondse verzet in Frankrijk. Zij sterft in 1945 in een Duits concentratiekamp. De oudste zoon heet: Jean-Henri Weidner (WHJ). Beiden zijn overtuigde Zevendedag adventisten. Over de jongste zoon is niets bekend.

Jean-Henri Weidner staat bekend als de meest gedecoreerde Nederlandse verzetsheld. Als oprichter en leider van de ‘Nederlands – Parijse vluchtroute’ (naar Zwitserland en Spanje) heeft hij 800 joden en honderden verzetstrijders en geallieerde soldaten gered uit de klauwen van de Duitse bezetter. Hij heeft daarvoor na de oorlog (1946-1950) meerdere hoge internationale onderscheidingen ontvangen. Waaronder het ‘Kruis van Verzet’ en het ‘Officierschap in de Orde van Oranje Nassau’. Dit laatste uit handen van koningin Juliana en Prins Bernard. Ook belangrijke kerkelijke leiders tonen zich erkentelijk. Zoals Dr. Visser ’t Hooft, Secretaris Generaal van de Wereld raad van Kerken (1938-1966).  In het Nederlandse kerkblad  ‘De Adventbode’ wordt daar met geen woord over gerept.  

Jean-Henri Weidner heeft in 1966 zijn ervaringen te boek laten stellen onder de titel: ‘Flee the Captor’. Dit boek is uitgegeven door de adventistische uitgeverij te Nashville, Tennessee in de VS. In het gemeenteblad ‘De Adventbode’ van 1 sept.1966 verschijnt een korte mededeling over dit boek. Daarin worden de reddingsacties van Jean-Henri Weidner teruggebracht tot ‘meer dan 100 politieke vluchtelingen, voornamelijk Joden.’ Over de onderscheidingen die hij van Eisenhouwer, de Gaulle, koningin Elisabeth en het Nederlandse koningshuis heeft ontvangen wordt niets vermeld (Adventbode, 1 sept. 1966, p. 12)..  

De Nederlandse vertaling volgt een jaar later onder de titel: ‘Vlucht naar de Vrijheid’. Jean-Henri Weidner komt in het voorjaar van 1967 naar Nederland om zijn boek te promoten. In de media is daar uitvoerig aandacht aangeschonken. In het gemeenteblad ‘De Adventbode’ is daarvan weinig van terug te vinden. 

In de epiloog van het boek staat op bladzijde 276 dat zijn vader en moeder in Nederland ‘op het onbehoorlijkst zijn behandelt’. Voor zover bekend, zijn zij door de bezetter in Nederland met rust gelaten. Mogelijk hebben deze woorden betrekking op de ongemakkelijke relatie met de half Duitse adventistische bestuurselite. Van een hartelijke ontvangst in 1939 (in Nederland ), is in ieder geval geen sprake geweest. 

 

Het ‘koningsdrama’.

1947.

Op vrijdag 26 aug. schrijft Voorthuis als secretaris van de Nederlandse Unie twee vergaderingen uit. Eén op vrijdag de 29e en één op zondag op 2 sept.  De eerste betreft een vergadering van de Nederlandse Unie, de tweede een predikantenvergadering. Op beiden is ook de voorzitter van de Noord Europese Divisie vertegenwoordigd. De vergadering van de Nederlandse Unie vindt plaats in hotel Franck te Amersfoort. De predikantenvergadering op het pas aangekochte Oud Zandbergen (Brief Uniebestuur, 26 aug. 1947) .

Eelsing weet van niets. De eerste 2 weken van aug. bezoekt hij samen met 4 oudere collega’s een predikantencongres in Noorwegen. Aansluitend is hij op vakantie. Op de vergadering van de Nederlandse Unie van 29 aug. wordt Voorthuis officieel benoemd tot voorzitter van de Nederlandse Unie, in plaats van Eelsing. Zijn benoeming wordt op de predikantenvergadering bekendgemaakt.

Eelsing was verwikkeld in een buitenechtelijke relatie. Voorthuis schrijft aan Joseph Wibbens, ex voorzitter van het Belgische Veld : ‘Ik kan u wel zeggen, dat ik zelf, die het eerst deze zaak ontdekte, absoluut van streek geweest ben…Voordat de zaak bij Voorthuis aan het licht kwam, had Eelsing met de zonde gebroken…’ (Brief F.J. Voorthuis aan J. Wibbens, 22 sept. 1947).

Eelsing krijgt bij terugkomst te horen wat er gebeurd is. Hij bezoekt zijn thuisgemeente Arnhem op sabbat. Hij heeft spijt, toont berouw (in het openbaar) en vraagt om vergeving, ook aan zijn vrouw.

Volgens de regels van de kerk, kan Eelsing geen predikant en voorzitter meer zijn. Bovendien moet hij als lid geschrapt worden. Uitsluiting kan namelijk alleen voorkomen worden als iemand uit zichzelf komt en zijn zonden belijdt (Brief Uniebestuur, 1948) Dit is bij Eelsing niet het geval. Voorthuis is er als eerste achter gekomen. Pas als Eelsing terugkomt van vakantie belijdt hij zijn zonden in het openbaar. Inmiddels heeft Voorthuis met instemming van de Noord-Europese Divisie Eelsings plaats ingenomen.

Eelsing wordt echter niet onmiddellijk uitgesloten. Hem wordt een jaar kerkelijke tucht opgelegd. Dan moet blijken of hij zijn belofte nakomt. Volgens Voorthuis had Eelsing ‘al eerder met die zonde gebroken’. Maar 5 maanden later was hij weer in de oude zonde teruggevallen. Hij stond toen in volle ambtsbediening’ (Brief Uniebestuur, 17 okt. 1947, p. 3). Vandaar de proeftijd van een jaar om tot inkeer te komen. Daarna openen zich voor hem mogelijkheden om op de achtergrond kerkelijke functies te bekleden (Adventbode, juni 1948, p. 1).

De tuchtmaatregel moet door de thuisgemeente (Arnhem) opgelegd worden. Het algemeen kerkbestuur spoort de gemeente daartoe aan. Willem Betram en Karel Beyer zijn leden van het uniebestuur maar ook leden van het bestuur van de Arnhemse adventgemeente. Betram als predikant en Beyer als penningmeester. Betram zou de vergaderingen leiden. Eerst de bestuurs – en daarna de ledenvergadering. Beyer blijkt op beide vergaderingen afwezig te zijn. Het gemeentebestuur bestaat daardoor uit slechts vier leden in plaats van vijf. Er ontstaat een patstelling met twee stemmen voor en twee tegen. De twee tegenstemmers zijn: ‘Hans Berkel en Cornelis de Ruiter’. De ledenvergadering zorgt voor een verrassing, want 37 leden stemmen tegen. Blanco stemmen zijn er niet. De tuchtmaatregel wordt dus met grote meerderheid van stemmen verworpen. Het voorstel wordt gedaan om Eelsing volmacht te geven om als evangelist in dienst te blijven (Brief Uniebestuur, 17 okt, 1947, p. 2-4).

Eelsing wil nu zijn status als predikant terug. Hij verlangt een onpartijdige beslissing van de Generale Conferentie. Het antwoord laat niet lang op zich wachten. De Generale Conferentie bevestigt het uniebesluit. Er wordt nu werk voor Eelsing gevonden op de achtergrond. Bovendien wordt er een financiële regeling getroffen via de Noord Europese Divisie. De zaak is daarmee beslist (Brief Uniebestuur, 27 november 1947; Notulen Uniebestuur, 22 jan. 1948). Met Voorthuis’s benoeming als voorzitter van de Nederlandse Unie begint een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van de Adventkerk in Nederland.

F.J. Voorthuis en Elfriede Voorthuis-Wintzen in 1985.

Toegevoegde handgeschreven biografieën van Frederik J. Voorthuis.

Hiermee eindigt de serie biografieën van Klingbeil, Wibbens, Schilstra en Voorthuis. Het zou mogelijk geweest zijn om aan het eind van ‘Functies en werkzaamheden per jaar…’ nog een kompleet gedetailleerd verslag te schrijven met bronvermeldingen over het leven van Frederik Voorthuis als voorzitter van de Nederlandse Unie. Ik heb daarvan afgezien. Voorthuis heeft mij voor zijn definitieve vertrek naar Zwitserland een aantal handgeschreven biografieën overhandigd. Een samenvatting van de hoogtepunten uit zijn carrière als voorzitter van de Nederlandse Unie. Deze biografieën zullen hier onder worden toegevoegd aan ‘Functie(s) en werkzaamheden per jaar….’.

 

Samengesteld door drs. Hendricus G. van Rijn.

Autobiografische aantekeningen van F.J. Voorthuis